Hoe NRC in het ‘handgemeen’ van Eurlings verzeild raakte

Wrijven in een vlek, die uitdrukking lijkt na het terugtreden van Eurlings al bijna zo’n eufemisme als, bijvoorbeeld, ‘handgemeen’. Lezers reageerden woest op het „kritiekloze vraaggesprek” dat NRC afgelopen zaterdag publiceerde met de sportbestuurder. Daarin betuigde hij, voor het eerst, spijt over zijn „aandeel” in het „handgemeen” met zijn ex-vriendin, die hem had aangeklaagd wegens mishandeling.

De „biecht” vol vrome, maar strak afgemeten woorden ontplofte keihard in het gezicht van de zondaar – en in dat van de krant. „Wat heeft NRC in vredesnaam bezield om dit vraaggesprek af te drukken?”, aldus een verbijsterde lezer. Hij is niet de enige. De krant kreeg klop, van Opzij tot journalistenblogs.

De interviewer, sportredacteur Henk Stouwdam, leek dan ook volledig op de hand van de sportbestuurder. Hij noteerde dat Eurlings, met trillende lippen, nu sprak nadat zijn naam „voor de zoveelste keer door het slijk is gehaald”, dat diens biecht „oprecht leek” en „diep van binnen leek te komen”. Ook de presentatie van het stuk als „exclusief” wekte woede – hijgerige taal die lezers associëren met de Telegraaf.

Nou, niet alle lezers. Een vond het interview van een „macabere schoonheid” omdat de ongeloofwaardigheid van de spreker er zo van afstraalde. Maar dat vraagt wel veel gevoel voor ironie. Zoals een collega elders eens opmerkte: een stuk dat vragen over de intenties ervan oproept, schiet zijn doel voorbij.

Kort en goed: de kritiek was terecht. Eerst die kerkelijke term. Een biecht (de krant sprak ook van „bekentenis” en „boete doen”) was dit natuurlijk niet. Biechten veronderstelt openheid van zaken bij meneer pastoor, al is het maar om het aantal weesgegroetjes te kunnen bepalen. Openheid gaf Eurlings nu juist niet. Ja, hij zei – voor het eerst – sorry, maar hield zijn mond verder stijf dicht over het „wederzijdse” incident.

Dat merkte de interviewer, hoewel geen pastoor, natuurlijk ook wel. Stouwdam is olympisch redacteur en interviewde Eurlings in 2016 al eens in Rio (mede de reden dat hem het interview werd gegund, kun je vermoeden), maar heeft geen juridische achtergrond.

Hij drong meer aan dan uit de tekst blijkt, zegt hij, maar „wat ik ook vroeg, hij ging nergens op in, bleef op de vlakte en wilde geen nadere toelichting geven”. Niettemin, vindt hij achteraf zelf ook, hij had veel meer moeten doorvragen en had ook beter niet kunnen doen wat sportverslaggevers wel vaker doen: opschrijven wat er door iemand heengaat. Maar: er was ook niemand die voor publicatie zei: zullen we dat maar niet weglaten? Daarover straks meer.

Hoe kwam het interview tot stand?

Op vrijdagochtend kreeg Stouwdam, die de sportbestuurder al herhaaldelijk had benaderd voor commentaar over de zaak, onverwachts een telefoontje van Eurlings: hij wilde, en wel meteen die dag. Primeur! Als voorwaarde stelde Stouwdam dat alles kon worden besproken (dat kon), Eurlings wilde het stuk voor publicatie lezen (dat mocht). Stouwdam overlegde met zijn chef en scheurde naar Valkenburg. In de ochtendvergadering van chefs en hoofdredactie, toen gaande, heerste ,,euforie” over de komende scoop.

Afstemming tussen NRC en Eurlings’ advocaat was er niet. Al had de oud-politicus ongetwijfeld ruggespraak gepleegd over het idee voor een interview rond Kerst: mooie tijd om de kou uit de lucht te halen.

Bij aankomst bleken de zaken dan ook net anders te liggen dan Stouwdam dacht. Hij kreeg te horen dat de volgende dag ook een persverklaring zou uitgaan. Weg primeur? Stouwdam deed wat een verslaggever dan doet, hij vroeg Eurlings te wachten met het persbericht tot de krant was verschenen. Maar het begon ook te knagen: dit was dus een goed voorgekookte actie. En dat bleek, want in het gesprek hield Eurlings zich strak aan die verklaring.

Na afloop belde Stouwdam de redactie, scheurde naar een Van der Valk om zijn stuk te tikken en stuurde het rond tienen op, zo’n uur voor de deadline van nrc.next. Er waren twee pagina’s voor uitgetrokken. Maar daarna volgde geen inhoudelijke weging. Het stuk werd afgewerkt door de avondploeg, die er zelf een nieuwsbericht van maakte. Chefs en hoofdredactie waren niet meer aanwezig.

Eurlings belde nog wel met enkele wijzigingen. Aan het „handgemeen” in een citaat wilde hij toevoegen dat het „wederzijds” was geweest. De „mishandeling” in Stouwdams eigen tekst moest ook „handgemeen” worden, hij was immers niet veroordeeld.

Stouwdam stemde in, en dat had gevolgen. Omdat „handgemeen” nu zíjn tekst was geworden, dook het woord vervolgens zonder aanhalingstekens op in kop en tekst van het nieuwsbericht – en daarmee maakte de krant Eurlings’ woordkeus tot de hare. Het „wederzijds” werd toegevoegd aan het interview, maar vergeten in het bericht – dat werd een dag later door de ochtendploeg opgemerkt en gecorrigeerd.

Alom zwol de kritiek toen al aan. Stouwdam kreeg nog die ochtend een mail van de hoofdredacteur, vanaf diens vakantieadres, die zich bezorgd toonde dat de krant zich door Eurlings had laten gebruiken.

Maar in de dagen daarna maakte de krant het er niet beter op. De Volkskrant bracht een stuk waarin Eurlings’ uitspraken feitelijk werden getoetst. Nrc.next hield het die dag op een bescheiden stuk met reacties en een piepklein feitenkader, dat in de middagkrant geheel verdween, omdat het te cryptisch werd bevonden. Maar een uitvoeriger stuk over de feiten kwam er niet. Wél een Commentaar, op woensdag, waarin Eurlings met opgestroopte mouwen te kennen werd gegeven dat hij maar beter zijn biezen kon pakken.

In vijf dagen tijd schoot de krant dus van empathie naar veroordeling. Van „oprecht” en „diep van binnen” (interview) naar „onoprecht”, „opportunistisch” en „verkapt zelfbeklag” (in het Commentaar). Maar hoe moet je dat als lezer beoordelen, zonder enige weging van de feiten? Tussen de trillende lippen en de opgestroopte mouwen gaapte een diep gat.

Kortom, de krant had geblunderd en het niet goed gerepareerd. Al is zijn stunt ook voor Eurlings nu compleet anders uitgepakt dan hij zal hebben gehoopt – geen wonder, in tijden van #MeToo gelden andere eisen aan excuses over geweld tegen vrouwen.

Welke lering is hier uit te trekken?

Op de redactie, waar verslagenheid en schaamte over de fall out van de zaak heersten, is nog eens onderstreept dat je zo’n interview bij voorkeur moet laten doen door, of samen met, een collega met meer distantie en kennis van het dossier. Een sportredacteur die straks de Spelen moet verslaan, zit erg dicht op ‘het wereldje’ voor zo’n confronterende klus.

Maar dan nog, de lokroep van een primeur kan altijd onkritisch maken. Onbegrijpelijk is dus ook dat na die euforische ochtend geen leidinggevende het stuk die avond nog stevig inhoudelijk heeft gewogen en met de auteur heeft doorgesproken. Het verhaal werd geredigeerd en ging de krant in. De tijd drong.

Dat is vooral een kwestie van prioriteiten. Op vrijdagavond schaatst de krant op dun ijs. Eindredacteuren hebben hun handen vol. Maar zo’n ‘exclusieve’ primeur, voor de belangrijkste krant van de week, vereist toetsing totdat een adjunct als laatste het licht uitdoet. Va-banque is één ding, noblesse oblige is er ook.

Dat had kunnen opleveren dat op zijn minst het taalgebruik was aangepast of een feitenkader was gemaakt. Wie weet was de hamvraag gesteld: is dit stuk wel fit to print?

Reacties: ombudsman@nrc.nl
    • Sjoerd de Jong