Rekenen wordt minder, taal gaat niet vooruit

Stand van het taal- en rekenonderwijs Rekenen en taal zijn basisvakken, vindt de overheid, ook in het computertijdperk. Maar Nederlandse kinderen rekenen steeds slechter en het percentage dyslectici is te hoog.

Taalles op een basisschool in Broek in Waterland. Foto Merlijn Doomernik

Hoeveel verf moet je inkopen om de muren van de woonkamer te schilderen? De huisschilder van Anouk Adang en Aydin Cihangir was verlegen met die vraag. Hij had wel een rekenmachine, maar wist niet wat hij moest intikken. „Een rekenmachine kan niet vragen wat je bedoelt”, zegt Cihangir, een universitair geschoolde wiskundige die samen met zijn echtgenote, een voormalig jongerenwerker, het Nederlands Mathematisch Instituut heeft opgezet. Hier worden leerlingen van basisscholen bijgespijkerd in optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen.

Dat daar veel vraag naar is blijkt wel uit de explosieve groei van het instituut sinds de oprichting in 2012: naast het hoofdkantoor in Amstelveen zijn er inmiddels acht filialen, waar in totaal duizend leerlingen per jaar worden bijgespijkerd. Niet alleen scholieren, maar ook leraren kunnen er trainingen volgen, en scholen krijgen er advies over rekenonderwijs.

Volgens Cihangir moet en kan iedereen de rekenkundige basisbewerkingen beheersen. Talent is daarvoor niet nodig, zegt hij. De wiskundeknobbel is een mythe. Met een uurtje oefenen per dag kan ieder kind binnen vier tot acht weken alle bewerkingen beheersen. Trainen vergroot de gelijkheid in het onderwijs.

Rekentoets

Sinds 2003 daalden de Nederlandse rekenprestaties in internationale vergelijkingen van de club van rijke landen OESO en van de International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). Leraren in het middelbaar onderwijs klagen over de gebrekkige rekenkennis van de leerlingen die net van de basisscholen komen. De Inspectie van het Onderwijs doet onderzoek naar wat ze ziet als de „neergaande trend” in reken- en wiskunde-onderwijs.

Om de prestaties te verbeteren, werd in 2014 een verplichte rekentoets ingevoerd voor alle eindexamenleerlingen vmbo, havo, vwo en mbo. Middelbare scholen stelden rekenleraren aan om de lesstof van de basisschool weer op te vijzelen.

Bij een aantal opgaven van de rekentoets mochten leerlingen de rekenmachine gebruiken, bij sommige opgaven niet. Veel leerlingen bleken het hoofdrekenen niet goed te beheersen, omdat ze de rekenmachine gewend waren. Op het vwo haalde de meerderheid de rekentoets wel, maar op het vmbo, de havo en het mbo niet. Daar werd besloten de toets niet te laten meetellen voor het eindexamen. Inmiddels heeft het kabinet besloten de toets ook niet meer voor het vwo-eindexamen te laten meetellen. Er wordt nagedacht over een betere toets.

Op het gebied van taal is geen sprake van een uitgesproken daling van de prestaties. Uit de vorig jaar uitgekomen internationale Pisatest bleek weliswaar dat het percentage laaggeletterde 15-jarige leerlingen in Nederland sinds 2003 is gestegen van 12 tot 18 procent, maar dat hangt volgens deskundigen ook samen met een andere wijze van toetsen. De vorige maand gepubliceerde Pirlstest, een internationale leestest, gaf aan dat Nederlandse basisschoolkinderen van tien jaar niet slechter zijn gaan lezen. Toch is Nederland gezakt op de internationale ranglijst, want andere landen zijn het beter gaan doen. Er is ongelijkheid in het Nederlandse onderwijs, maar in de meeste andere landen is die groter. Zwakke leerlingen doen het relatief goed, maar er zijn steeds minder toppresteerders.

Lees ook: Ook de buurt heeft invloed op het rekenen en lezen

Als scholen beter lesgeven, kunnen ze het percentage leerlingen met dyslexie sterk reduceren

Dyslexie-epidemie

Volgens Anna Bosman, hoogleraar leren en ontwikkeling aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is er wel sprake van een ‘epidemie’ van dyslexie. Steeds meer leerlingen krijgen een dyslexieverklaring, die recht geeft op bijles en extra tijd om examens te maken. De diagnose wordt vaak onterecht gegeven, zegt Bosman. Als scholen beter lesgeven, kunnen ze volgens haar het percentage leerlingen met dyslexie sterk reduceren.

Zelfs studenten met een vwo- en havo-diploma hebben vaak onvoldoende taalvaardigheden in zinsontleding, zinsbouw en spelling voor het hoger onderwijs. Verscheidene hogescholen en universiteiten zijn begonnen met het toetsen en bijspijkeren van eerstejaars voor ze aan hun studie beginnen, omdat het proza in schrijfopdrachten vaak belabberd is.

Er zijn mensen die denken dat rekenen en taal minder hard nodig zijn omdat de computer schrijf- en rekenfouten automatisch kan verbeteren. Maar vaardigheden in rekenen en taal zijn nog steeds van groot belang, zeggen onderwijsspecialisten en werkgevers. Volgens het Platform Onderwijs 2032 is een goede beheersing van de Nederlandse taal „de sleutel tot participatie in de samenleving en van grote invloed op iemands persoonlijk welzijn en zijn succes op de arbeidsmarkt”. In zijn advies aan het kabinet, over een nog in te voeren vernieuwing van het vakkenpakket voor basis- en middelbare scholen, schrijft het platform ook: „Rekenvaardigheid, inclusief wiskunde, is onmisbaar om in de samenleving te kunnen functioneren en deel te nemen aan vervolgonderwijs.”

Ton Verschuren, directeur van SEW Eurodrive, een assemblagebedrijf voor elektrische aandrijfsystemen in Rotterdam, vindt goede lees- en rekenvaardigheden ook onmisbaar voor zijn werknemers. Zijn bedrijf is volledig geautomatiseerd, maar de werknemers moeten elkaar goed in het Nederlands kunnen verstaan. „Ze moeten ook voorschriften kunnen lezen en berekeningen kunnen maken en gevoel hebben voor verhoudingen”, zegt hij. Nieuwe werknemers beheersen die vaardigheden niet altijd. Zij komen vaak van tweejarige mbo-opleidingen. In de bedrijfscursus die SEW voor nieuwe werknemers organiseert, moeten ze vaak worden bijgespijkerd in taal en rekenen.

Platform 2032 zegt niet hoe het onderwijs in rekenen en taal kan worden verbeterd. Veel scholen zijn meer nadruk gaan leggen op ‘automatiseren’. Dat is het onderwijsjargon voor het oefenen van sommen en spelling. Goed idee, volgens Aydin Cihangir: „Bij voetbal en zwemles is dat ook vanzelfsprekend.”

    • Maarten Huygen