Recensie

Nachtvlinders doen graag iets creatiefs

Hoe gaat het? ‘Uhu’. Wil je koffie? ‘Uhu’. Wat zijn de diepste roerselen van je ziel? ‘Uhu’. De personages in Rolinde Hoorntjes roman De Club blinken niet uit in eloquentie. Ze geven het nachtleven in Amsterdam vorm, ze zíjn in zekere zin het nachtleven, maar waarheen en waartoe hun levens verder nog moeten leiden? Niemand die het weet. Wat ze willen is ‘een groep jonge mensen op de been brengen die iets leuks deden. Iets leuks met muziek of met kunst.’ Zichzelf op de been brengen dus. Liefst bij nacht, in een oud industrieel haveloos pand, waar een club of een festival ‘rauw’ en ‘echt’ lijkt. Om zo’n ruimte te vullen moet je de social media weten te bespelen: „‘Eerst in kaart brengen wie de gamechangers zijn’. (-) ‘(De) young influentials’. (-) ‘Yeah,’ (als ze maar) genoeg potentieel hebben, qua following’ ’’, zoals dat heet in een van de cynische dialogen van dit boek.

Hoofdpersoon Shane, die eigenlijk Sjaak heet, heeft de juiste haardracht (een knot) en het juiste vervoermiddel (een longboard). Een persoonlijkheid heeft hij niet of nauwelijks, maar hij zou wel graag beroemd willen worden met ‘iets creatiefs’. Hij solliciteert bij ‘het grootste mediabedrijf voor millennials’. ‘Wat is jouw specialiteit? Wie is Shane?’ wordt hem daar gevraagd. „‘Ik houd heel erg van uitgaan,’ zei Shane. (-) ‘Ik bedoel het nachtleven’ (-) hij besefte dat hij klonk als een vijftienjarige die net terugkwam van camping De Appelhof’.”

Hoorntje schrijft hier en daar raak en geestig. Een brede nek vol gekleurde tatoeages ziet eruit als een Perzisch tapijt. Iemand wordt gekarakteriseerd door de wijze waarop ze een venkelknol doorsnijdt. Een ander verzucht ‘zichzelf te willen vinden’, maar ja, ‘daar is zoveel voor tegenwoordig.’

Hoorntje ontsluit in De Club een hele wereld. De lezer reist met Shane mee van drugs overgoten feesten in Amsterdam naar clubs in Berlijn, Ibiza en Engeland. Daar behelst het programma van festival Secret Garden Party maar liefst 488 activiteiten: van naakt yoga’en in de regen tot kleien met Play-Doh. De lamlendigheid bij dit alles, de leegheid, het solipsisme, de drugs: op de beste momenten doet De Club denken aan Joost Zwagermans Gimmick! uit 1989, de tragikomische schets van de yuppencultuur.

Maar voor een echte stevige vergelijking is De Club stilistisch helaas toch veel te zwak. Op werkelijk elke bladzijde van het boek staan lelijke zinnen en hinderlijke fouten. Grammaticaal (‘De hele eerste rij keek vol afgrijzen naar het fitnessmeisje, wie in de laatste minuut overkwam waar iedereen tot dan toe bang voor was geweest’), maar ook inhoudelijk wordt er gestumperd. Alleen al de eerste zin: ‘Shane zwenkte zijn heupen als een lint door een traphek’ wekt nodeloos verwarring. Hoorntje kan geen maat houden, ze stapelt vergelijkingen, waardoor ze afzwakt wat ze had willen versterken. Een meisje heeft binnen één zin ‘spaghettibenen’ én ‘het postuur van een soepstengel’. Mooischrijverij leidt ook tot fouten: ‘De dansvloer baadde in rood licht en gedeelde gevoelens van verwachting.’ Beeldspraak klopt dikwijls niet: ‘de meisjes (-) waren de hele dag vergroeid met hun laptop als een zwam op een boomstam’, of bevat onzinnige branie: ‘Jammer dat ze zo lang was. Haar neuken moest voelen alsof je een vrachtwagen met oplegger probeerde in te parkeren op de gracht.’ Lijkt het meisje op een gracht? En de penis op een vrachtwagen met oplegger? Het is zonde van het boek dat De Club had kunnen zijn.