Column

Liever rechters zonder overtuiging

Het Wetboek van Strafvordering is gemoderniseerd. Met meer ruimte voor de overtuiging van de rechter. Dat is geen goede zaak.

Het Wetboek van Strafvordering dicteert de spelregels in het strafrecht. Dit jaar zal het parlement zich buigen over een gemoderniseerde versie van dit wetboek. Interessant is wat de nieuwe versie zegt over wanneer rechters een verdachte schuldig mogen verklaren. Drie voorwaarden worden opgesomd. De eerste: er dient wettig bewijs te zijn tegen de verdachte. Prima, zo hoort dat in een rechtstaat. De tweede: “Het bewijs kan slechts worden aangenomen als buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan.” Klinkt ook goed, maar sluit bij nader inzien een riskant scenario onvoldoende uit. Want een rechter die eerst concludeert dat de verdachte schuldig is en dan het wettig bewijs erbij sprokkelt, voldoet aan deze voorwaarde. Toch is dat niet wat je je voorstelt bij een verstandige rechter. Idealiter vertrekt die vanuit de aanname dat de verdachte onschuldig is, inspecteert dan het bewijs en stelt zich tenslotte de vraag of dat bewijs een veroordeling van de verdachte rechtvaardigt.

De rechterlijke overtuiging

De derde voorwaarde is al even problematisch. Ze luidt: “Indien de rechtbank er niet van overtuigd is dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, spreekt hij deze daarvan vrij.” Het is me niet te doen om de weinig genderneutrale aanduiding van de verdachte. Mij gaat het om de voorname plaats die aan de rechterlijke overtuiging wordt toegekend. Wat hier overtuiging heet is blijkbaar iets fijners, iets belangrijkers dan de conclusie over schuld of onschuld die de rechter aan de bewijsmiddelen kan verbinden. Het is een soort noodrem waaraan de rechter kan gaan hangen als de feiten de opvatting van de rechter tegenspreken.

Overtuiging kennen we van ouders die hun kinderen niet laten vaccineren omdat ze menen dat God de gezondheid van hun kinderen op de proef mag stellen. Klimaatsceptici hebben ook een overtuiging: dat al het bewijs over de opwarming van de aarde aangedikt is en dat het niet zo’n vaart zal lopen.

De fictieve zaak van Eva

Overtuiging komt er vaak op neer dat feiten voor de triomfkar van de particuliere mening worden gespannen. Buiten de raadkamer is dat gewoon, maar in de raadkamer wil je zoiets niet hebben. Daar wil je overtuiging uitbannen. Dat is moeilijk genoeg, zoals het onderzoek van de Rotterdamse rechtspsycholoog Eric Rassin laat zien. Hij legde Nederlandse rechters de fictieve zaak van Eva voor. Eva wordt ervan verdacht dat zij haar vriendin heeft doodgestoken. Getuigen zeggen dat ze jaloers op haar vriendin was. Er is op de plek waar de vriendin werd doodgestoken een bebloed mes gevonden met de vingerafdrukken van Eva. Rassin vroeg de rechters om de bewijskracht van de vingerafdrukken te wegen op een schaal van 0 (waardeloos bewijs) tot 100 (sterk bewijs). En zouden ze op basis van dit bewijs tot een veroordeling van Eva komen? Een groep rechters kreeg van tevoren te horen dat een psychiater Eva psychopate trekken vond hebben. De andere groep rechters werd daarover niet geïnformeerd. Zo’n psychiatrisch oordeel is strikt genomen irrelevant voor de vraag of Eva haar vriendin wel of niet doodstak en heeft al helemaal niets te maken met hoe zwaar je als rechter vingerafdrukken moet laten wegen. Toch woog de eerste groep rechters de vingerafdrukken zo’n 10 procent zwaarder en kwam vaker tot een schuldigverklaring van Eva dan de tweede groep (80% tegen 45%). Het wijst op een overtuiging die de bewijswaardering kleurt in plaats van vice versa.

Bikkelhard bewijs

Dat primaat van de overtuiging verklaart hoe het kan dat rechters soms een verdachte veroordelen ofschoon het bewijs mager is. Dan was blijkbaar de overtuiging dat de verdachte het wel gedaan zal hebben het vertrekpunt. Het verklaart ook waarom rechters soms een verdachte vrijspreken hoewel het bewijs bikkelhard is. Dan ontbreekt de overtuiging dat de verdachte het heeft gedaan. Het is iets wat je in dictatoriale landen regelmatig ziet als rechters over hun corrupte collega’s moeten vonnissen: het bewijs is er weliswaar, maar we zijn toch niet overtuigd, zeggen ze dan. Het verklaart ook waarom rechters het regelmatig met elkaar oneens zijn als zij over identieke zaken moeten oordelen. Dan lopen de overtuigingen uiteen. En het verklaart hoe het kan dat rechters het regelmatig met zichzelf oneens zijn als ze in de loop van de tijd over gelijksoortige gevallen oordelen. Dan is hun overtuiging veranderd.

Zelfrijzende overtuiging

We moeten daarom af van die rechterlijke overtuiging, maar daarbij helpt het nieuwe Wetboek van Strafvordering niet. Integendeel: het staat zelfrijzende overtuiging toe. Wat dat betreft kunnen de auteurs van het wetboek leren van dokters. Dokters hebben beslisbomen en protocollen. Ze zijn gewend aan tegenspraak tijdens patiëntbesprekingen. Ze worden opgevoed met een gezond ontzag voor alles wat evidence-based is. Het is een andere manier om te zeggen dat ze Nietzsche’s woorden snappen: dat overtuigingen gevaarlijkere vijanden van de waarheid zijn dan leugens.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.