Recensie

Leven in een naoorlogse chaos

1918

Historicus Daniel Schönpflug volgt tweeëntwintig mensen die in 1918 en de jaren daarna hun leven vormgaven. Van Alma Mahler tot Harry Truman. Zo maakt hij een tijdperk invoelbaar.

Begin hiermee: Kalfsvlies, Marieke Lucas Rijneveld | Kameleon, Charlotte Van den Broeck | Kwaad gesternte, Hannah van Binsbergen

Op 11 november 1918 schreef de Amerikaanse artillerie-officier Harry S. Truman naar huis: ‘Het is een schandaal dat we Duitsland niet binnentrekken en het verwoesten, een paar Duitse jongens handen en voeten afhakken en een paar oude mannen scalperen; maar ik denk dat het beter is om ze vijftig jaar lang voor Frankrijk en België te laten werken.’ Truman was op het moment van schrijven nog niet op de hoogte van de capitulatie van het Duitse leger. Voor hem, nog in oorlogsstemming, begon een heel nieuw leven in een wereld die vervuld was van zowel hoop als pessimisme.

Dat pessimisme is dikwijls beklemtoond, vooral door de ontwikkelingen in Duitsland waar de Republiek van Weimar ten onder ging en nazi-Duitsland Europa in een nieuwe oorlog stortte. 1918 werd in retrospectief een onheilspellend jaar dat niets goeds zou brengen voor de wereld.

De Duitse historicus Daniel Schönpflug probeert daarentegen in 1918. Het jaar van de dageraad de hedendaagse lezer te laten kijken door de ogen van tijdgenoten die nog niet wisten dat ene Adolf Hitler zich onder hen bevond. Ze gaven hun eigen leven idealistisch vorm, ook al waren de idealen van de een groter dan van de ander.

Boerenzoon Harry Truman keerde terug naar de Verenigde Staten met een bescheiden ideaal: hij begon een herenmodezaak en wilde een vredig gezinsleven zonder zelf ooit nog een schot te hoeven lossen. Het liep ietwat anders: hij ging de politiek in en begon aan een onwaarschijnlijke loopbaan die hem in 1945 uiteindelijk het presidentschap van Amerika bracht. Zijn belofte nooit meer een schot te lossen kon hij niet waarmaken: op bevel van Truman werden in 1945 atoombommen afgeworpen op Hiroshima en Nagasaki.

Idealisme

Veel groter waren de idealen van Louise Weiss in 1918. Deze Française, afkomstig uit de Elzas, maakte zich sterk voor het recht op zelfbeschikking van de naties, zoals geproclameerd door de Amerikaanse president Woodrow Wilson. Weiss was tijdens de Eerste Wereldoorlog verpleegster geweest en had van dichtbij het oorlogsleed gezien. Ze richtte in 1918 het tijdschrift L’ Europe nouvelle op en maakte zich in het bijzonder sterk voor de nieuwe staat Tsjecho-slowakije. Niet alleen uit politiek idealisme - ze koesterde ook een diepe liefde voor Milan Stefánik, een van de voorvechters van de Tsjechoslowaakse onafhankelijkheid. Haar liefde werd niet beantwoord maar ze bleef zich na zijn voortijdige dood in 1919 (hij stierf bij een vliegtuigongeluk) inzetten voor zijn nalatenschap en voor een verenigd Europa. Dat zou Louise Weiss ook nog beleven: in 1979 (Weiss was toen 86 jaar) werd ze als afgevaardigde van de Franse Gaullisten in het Europees parlement gekozen.

Dit zijn twee van de tweeëntwintig tijdgenoten die Schönpflug beschrijft. Sommige van zijn hoofdpersonen waren, anders dan Truman en Weiss, in 1918 al bekend. De Duitse beeldhouwster Käthe Kollwitz bijvoorbeeld, die in de eerste maanden van de oorlog haar zoon Peter verloor. Ze maakte zich in 1918 zorgen over haar andere zoon Hans, die aan de zijde van de communisten meevocht tegen de rechtse Freikorpsen in de straatgevechten na de Eerste Wereldoorlog.

Ook Alma Mahler genoot als weduwe van de in 1911 gestorven dirigent Gustav Mahler al enige bekendheid, al wisten weinig tijdgenoten in welke amoureuze affaires ze zich had verstrikt. Schilder Oskar Kokoschka, architect Walter Gropius en schrijver Franz Werfel vielen voor haar charmes.

Tegenstellingen

1918. Het jaar van de dageraad roept herinneringen op aan het werk van de vrijwel vergeten Nederlandse socioloog en historicus P.J. Bouman (1902-1977). Bouman publiceerde in 1953 Revolutie der eenzamen. Spiegel van een tijdperk, waarin hij de eerste helft van de twintigste eeuw (een periode die hij zelf intensief had beleefd) invoelbaar probeerde te maken. Evenals Schönpflug wenste Bouman geen opsomming te geven van kale feiten maar ‘een tijdperk in zijn paradoxale tegenstellingen uitbeelden’.

Revolutie der eenzamen bevatte impliciet kritiek op de geschiedschrijving van zijn tijd. Die zou slechts de ‘uiterste buitenkant der gebeurtenissen’ vastleggen. Bouman streefde ernaar te beschrijven wat er ‘eigenlijk’ was gebeurd. Hij voerde zijn pen als een camera langs diverse schouwtonelen met de bedoeling ‘de vereenzaming van de moderne mens’ te tonen. Revolutie der eenzamen sloeg aan bij het grote publiek: in drie jaar tijd beleefde het tweeën-twintig herdrukken.

1918. Het jaar van de dageraad zou commercieel een even groot succes kunnen worden: het is goed geschreven en leert dat tijdgenoten de geschiedenis anders beleven dan er later over wordt geoordeeld. Maar als gevolg van de filmische methode leest het verbrokkeld, wat de aandacht doet verslappen. Schönpflug treft bovendien een verwijt dat ook Bouman wel is gemaakt: hij beschrijft de naoorlogse wereld dan wel door de ogen van zijn hoofdpersonen, maar hij verhoudt zich niet kritisch tot hen. Filmische geschiedschrijving is dan ook iets anders dan kritische geschiedschrijving.

    • Wim Berkelaar