17 jaar illegaal in Nederland: ‘Het leven gaat verder, ook als je geen papieren hebt’

Illegaliteit

Zeven jaar geleden interviewde redacteur Sheila Kamerman twee illegalen voor NRC: Ali Isiaki en Amadu Diallo. Er ontstond vriendschap tussen hen drieën, schrijft ze. „Hoe sterker levens verweven raken, hoe gekker het wordt dat zij illegaal zijn.”

Ali Isiaki en enkele van de ( legale) kinderen die hij begeleidt met hun huiswerk en de rest van hun leven, in een jeugdherberg in Noordwijk op uitnodiging van de auteur van dit artikel. Foto Dirk-Jan Visser

Hoe kom je aan een halal-kerstkalkoen? Die vraag stellen we in mijn familie al een paar jaar een maand voor kerst. Dit jaar hielden we het simpel en aten we kip.

Aan tafel zitten behalve ouders, kinderen, tantes, neven, nichten en aanhang ook twee moslims. Ali Isiaki en Amadu Diallo, beiden 32. En dat is nu het probleem.

Niet omdat ze halal eten. Toen mijn vader een religieus-joodse vriend uitnodigde, had hij het veel lastiger. Vlees- en melkproducten perfect gescheiden houden, begin er niet aan als leek. Een moslim aan tafel is een eitje.

Maar er is iets anders: de twee islamitische mannen zijn illegaal. Ik leer ze kennen als ik een verhaal schrijf over ‘ongedocumenteerden’ in 2011.

Het is Theo Miltenburg van het Ongedocumenteerden Steunpunt in Rotterdam die ons in contact brengt. Miltenburg is een vriendelijke, realistische man die samen met de „ongedocumenteerde” kijkt wat de opties zijn. Op straat zetten vindt hij belachelijk. Pamperen eveneens. Hij maakt regelmatig met een groep jonge illegalen een straat in de buurt van het steunpunt schoon; dan ziet de samenleving dat het geen uitvreters zijn, vindt hij. Ik tref Diallo als hij met een plamuurmes kauwgom van de stoep krabt en maak een koffieafspraak. Hij neemt zijn beste vriend Isiaki mee, „omdat die het beter kan vertellen”.

Gepoetste schoenen

Op een frisse oktoberdag in 2011 gaan we op zoek naar een paspoort. Ze moeten Nederland verlaten, en balen daarvan. Maar een illegaal leven was ook niets. Ze zijn als vijftienjarigen gearriveerd, op hun achttiende afgewezen. In 2011 zijn ze 25, ze hebben nog een leven te leven. Dus in godsnaam, dan maar terug. Maar terug kan alleen met paspoort. En daarvoor moeten we naar de ambassades van Benin (voor Ali) en Guinee (voor Amadu) in Brussel.

Zij zijn er eerder geweest. Vele keren. Dat moet van de IND. Zij vinden de zwijgende donkere mannen in pak met glimmend gepoetste schoenen achter grote lege bureaus, best normaal. Voor mij ziet het er vreemd uit. Uitreispapieren blijken niet te regelen. Ze kunnen niet bewijzen wie ze zijn en of ze echt uit Benin/Guinee komen. De taal die je spreekt, is geen bewijs. Talen houden zich niet aan landsgrenzen. Bovendien zijn er tientallen dialecten.

We reizen terug naar Nederland. Ze zijn illegaal en moeten weg. Maar het land waar ze naartoe moeten, wil ze niet welkom heten.

Rot voor hen. Een buitenkansje voor de journalist. De illegale wereld in Nederland is kleiner dan in landen als Engeland, België, Frankrijk en Spanje, maar wel aanwezig. De meest recente schatting uit 2015 gaat uit van maximaal 50.000 mensen. Miltenburg denkt dat het er meer zijn. Hoe dan ook, het is een flink aantal. Maar geen Nederlander weet hoe het is om illegaal te zijn. Hoe leef je zonder officieel werk, zonder verzekering, dokter, tandarts. Zonder bankrekening, burgerservicenummer, rechten? Altijd op je hoede, niet opvallen. Isiaki: „Je leeft half onder water, als een krokodil.”

En zo verschenen er verhalen over óverleven in Nederland. Over de angst voor de (vreemdelingen)politie, over slapen bij vrienden op de bank, en over zwaar zwart werk op de rand van uitbuiting. Ging Ali Isiaki naar de voedselbank, dan ging ik mee. Wist hij een winkel waar de goedkoopste kip van de stad werd verkocht, dan ging ik mee. Moest Amadu Diallo voor de zoveelste keer verhuizen (al zijn bezittingen in één koffer), dan ging ik mee.

Lees de hele serie over Ali Isiaki en Amadu Diallo.

De gesprekken in cafés of koffietentjes zijn achteraf gezien een opmaat naar een ongewone vriendschap. Ongewoon omdat je als journalist afstand moet houden tot de geïnterviewde. Maar doe dat maar eens als je mensen jarenlang volgt in hun dagelijks leven.

Ook ongewoon omdat we in alles anders zijn: zij zijn man, zwart, Afrikaan, moslim, tamelijk conservatief, preuts, illegaal. Ik ben dat alles niet. Zij groeiden op in een dorp diep in de bergen, zonder elektriciteit, waar de kinderen op blote voeten op konijnen jagen. Ik in een drive-in-woning in een Rotterdams nieuwbouwwijkje. Bovendien zijn zij op jonge leeftijd alles kwijtgeraakt, hun ouders en overige familie, hun land. Zulke ellende is mij goddank bespaard gebleven.

Een ongelijke vriendschap, zou je kunnen denken. In het begin heb ik ook de neiging om te vertellen hoe het zit. In mijn betweterigheid zei ik bijvoorbeeld dat in Nederland iedereen moet kunnen zwemmen. Diallo bedankte beleefd, maar Isiaki liet zich eenmaal in een zwembad zakken voor een les voor volwassenen. Hij vond het niks, die witte, vrijwel blote lijven.

Ik kwam snel terug van die belerende houding. De reden was eenvoudig. Ze wisten vaak al hoe het zat. Al vonden ze er regelmatig wat anders van dan ik. En: we leerden van elkaar.

Een les is er in nederigheid: ongedocumenteerden betalen uiteraard geen belasting. Maar Ali Isiaki blijkt de belastingbiljetten in te vullen voor allerlei legale vrienden die daar geen snars van snappen. Ik hoor hem aan de telefoon over box 2 en box 3 praten alsof hij het over doosjes aardbeien heeft.

Daarnaast helpt hij jonge vluchtelingen met hun inburgeringscursus. Zoals Hassatou (22). Hulp bij theorielessen voor het rijexamen geeft hij ook. Het gaat hem niet om het geld, maar om het gevoel van nut te zijn. Deze man, zo merkte ik, heeft een diepe angst een betekenisloos leven te leiden. Met walging vertellen ze beiden over kennissen die geen moeite doen voor een baan, omdat ze daarmee nauwelijks meer verdienen dan een uitkering. En wat doen ze dan met hun leven, vragen ze verontwaardigd. „Kinderen maken. Verder niets!”

Ik hoor Ali aan de telefoon over box 2 en box 3 praten alsof hij het over doosjes aardbeien heeft.

Isiaki laat het zich een keer ontvallen: op afstand helpt hij een aantal gezinnen met de opvoeding van hun kinderen. Hij wekt ze telefonisch, dirigeert ze naar de douche, zegt ze te bidden en te ontbijten. Na schooltijd vraagt hij via Skype naar hun dag en helpt ze met huiswerk.

Een paar dagen later zit ik naast hem achter de computer van de vriend bij wie hij op dat moment inwoont. En ja hoor, daar verschijnt het hoofd van Ismael (dan 8) in beeld. Hij gaat klaar zitten voor een dictee. Halverwege het dictee moet Ismael even wachten, en belt Isiaki met Ilyas (dan 11). Die krijgt de opdracht naar het jeugdjournaal te luisteren en een samenvatting te maken. Dat „de kinderen van Ali” nog een rol zouden gaan spelen in ons gezin, wist ik toen nog niet.

Tapasrestaurant

Amadu Diallo en Ali Isiaki zeggen dat ze broers zijn. Dat zijn ze niet echt, natuurlijk. Ze ontmoetten elkaar op de eerste dag in Nederland, in het aanmeldcentrum. Ze vullen elkaar goed aan. Diallo neemt het leven net wat luchtiger. Hij is illegaal, dat is rot genoeg, maar is het een reden om het leven niet te vieren? Hij is een optimist die zijn bij tijden melancholieke vriend een zetje kan geven.

Een belangrijke les over Nederland leer ik op een regenachtige avond in Oss. Zij zijn uitgenodigd door een christelijke ondernemersvereniging die over hen heeft gelezen in de krant. Het is niet de eerste keer. Vooral leraren maatschappijleer zijn onder de indruk van hun levensverhaal en nodigen hen uit in hun vwo-klas. Ze gaan altijd. Dit keer ga ik mee.

We zijn te vroeg en we hebben trek. In de stortregen parkeren we de auto tegenover een tapasrestaurant. We rennen naar de ingang en stappen de hal binnen. Vanaf de hal kijk je zowel in het restaurant als in de keuken. We wachten tot er iemand komt zodat we kunnen vragen of er plek is. Die is er, zien we, het restaurant is halfleeg. Niemand komt. Wel wordt er naar ons gegluurd vanuit de keuken. We wachten langer. Het wordt steeds ongemakkelijker.

Laten we gaan, zeggen zij. Maar ik wil niet geloven wat ik meemaak. Laten ze ons wachten omdat twee mensen een donkere huidskleur hebben? Ze hebben het druk, zeg ik, terwijl ik zie dat het niet waar is. Het duurt eindeloos, maar dan komt er eindelijk een serveerster. Willen we eten? Dat kan. Ze loodst ons door het restaurant, naar een belendende ruimte waar niemand zit. We krijgen een tafel toegewezen. Daar zitten we, met z’n drieën alleen. Het is een harde ervaring. We worden overigens netjes bediend.

Lezers roeren zich. Na elk artikel (inmiddels dertien) komen mails binnen. Sommigen maken 100 euro voor beide mannen over. Anderen willen een winterjas geven, of een boekenbon. Weer anderen leiden zo’n ander leven dat het lastig is zich in te leven. Zij willen een uitzet doneren. Of een bed, omdat Isiaki op de bank moet slapen. Maar zonder eigen plek heb je daar niets aan.

Dirk-Jan Visser
Foto’s Dirk-Jan Visser

Een kleine groep lezers zoekt en houdt contact. Zij vormen een steeds steviger netwerk van vrienden rond beide mannen.

Zo maakte ik via Isiaki en Diallo kennis met mevrouw Rhoon (niet haar echte naam, maar ze noemen haar zo, want ze komt uit Rhoon). Mevrouw Rhoon is vriendelijk en daadkrachtig. Een vrouw die zich niets aantrekt van wat anderen van haar denken. Ze neemt de mannen mee naar dé schoenenwinkel van het dorp en koopt stevige winterschoenen. En ook een winterjas. Haar vriendinnen vinden haar vriendschap met twee donkere mannen maar vreemd. Zij moet daar erg om lachen.

Dan is er Anna, een advocate uit het Noord-Hollandse kustgebied. Met haar wandelen ze door de duinen en leren ze over dieren, natuurbescherming en scharrelvlees. Het duurt even voordat ik erachter ben waar Isiaki’s groeiende afkeer van kiloknallers vandaan komt. Hij eet het liefst biologisch en duurzaam, zegt hij. Zeg dat maar niet bij de voedselbank, zeg ik. Dat vindt hij dan weer heel grappig.

Iets hoogs in de kunstwereld

Anna geeft hen een abonnement op de ov-fiets. Haar neef vindt dat elke Nederlander (nou ja, inwoner van Nederland) in de Efteling geweest moet zijn. Foto’s via WhatsApp van de benauwd lachende mannen in een achtbaan volgen. „Dat nooit meer”, zegt Diallo. „Het was een geweldige dag!”

Een vriendin van Anna die iets hoogs is in de kunstwereld, leidt hen door een museum. Ze krijgen een museumkaart. De kok van het museumrestaurant nodigt ze uit om af en toe te komen eten. De vader van Anna, huisarts in ruste, pakt zijn stethoscoop als een van beiden denkt iets te mankeren. Vooral voor de bij tijd en wijle licht hypochondrische Diallo een uitkomst. Hij doet voor hoe ‘opa’ dat doet: „Mond open, Amadu!” Opa tuurt geconcentreerd naar binnen – „je bent 100 procent gezond” – en geeft hem een klap op zijn schouder. ‘Opa’ is net zo’n onconventioneel type als zijn dochter. Vooral Diallo gaat vaak bij hem op bezoek.

Hugo, een ondernemer uit Den Haag, meldt zich in januari 2013. Hij wordt door de Afrikaanse mannen eerst gewantrouwd. Is hij geen spion van de IND? Na een aarzelend gesprek in het restaurant van de Bijenkorf – met alleen Ali Isiaki – volgen meerdere ontmoetingen. Hij heeft twee zoons van dezelfde leeftijd. Zij studeren en lopen stages in het buitenland. Inmiddels heeft hij vier zoons, grapt hij vaak.

Hugo valt niet meer weg te denken uit hun leven. Ze helpen hem als hij een grindpad wil aanleggen of zijn zolder wil isoleren. Ze zijn bij hem met Sinterklaas, en krijgen net als zijn zoons sokken en deodorant met een gek gedicht.

Zelf hou ik aanvankelijk zoveel mogelijk afstand. Dat kan makkelijk, het netwerk dijt toch wel uit. Maar het kerstdiner, dat moet toch kunnen? Juist dan nodig je mensen uit die het minder hebben. Het eerste jaar is het voor sommige aanwezigen even wennen. Een jaar later is het normaal en houdt een oom een bewogen toespraak over gelijkheid, solidariteit tussen landen en de ontwikkeling van Afrika.

Kerst 2017 maken Isiaki en Diallo de kip klaar op Afrikaanse wijze. Tijdens het koken vertelt Diallo hoe hij vaak zelf kippen slachtte in Guinee: voet op de vleugels, kop vasthouden, tjak met een scherp mes. Bloed eruit laten stromen, onderdompelen in heet water, dan laten de veertjes zo los. Of hij dat niet aan het diner wil vertellen, vraag ik.

In de zomer van 2015 komt Ali Isiaki langs op de camping in Friesland. Hij zal enkele kinderen die hij lesgeeft meenemen. Twee denken we. Vlak voor vertrek appt hij dat het er vijf zijn: Ilyas, Fadilou, de tweeling Hassane en Houssene en Ismael. De Friese campinggasten kijken vanuit hun ooghoeken naar de jongens. Donkere kinderen zijn ze niet gewend, en al helemaal niet op de camping.

Foto Dirk-Jan Visser

Ali Isiaki bestiert zijn kinderclub met strakke hand. Er wordt gespeeld, gevoetbald en gezwommen. Maar is het tijd om te bidden, dan is het tijd om te bidden. Met behulp van een kompas wordt het oosten bepaald. De jongens op een rijtje op hun knieën. In een cirkel luisteren we in de voortent naar het eerste hoofdstuk van De Grijze Jager, favoriet boek van onze kinderen. Isiaki wil zijn kinderen enthousiast maken voor boeken. „Jullie moeten lezen”, zegt hij meer dan eens licht dreigend. Op de kindergroepsfoto staan de donkere jongens aan de ene kant en de witte kinderen aan de andere.

In de kerstvakantie gaan ze mee naar een jeugdherberg. Nu zijn het er meer. Bashir, Nawaf en Khaled sluiten zich aan. We gaan drie dagen en krijgen groepskorting. Op de kindergroepsfoto staat iedereen door elkaar. Er wordt een huiswerkgroepsapp gestart waarin jongere kinderen, die van Ali, vragen kunnen stellen aan de oudere kinderen (paar van ons).

Desnoods controleur

Er zijn genoeg mensen uit Benin en Guinee in Nederland die wel een verblijfsvergunning kregen. Waarom Isiaki en Diallo niet, is onduidelijk. Mogelijk omdat ze niet alles durfden te vertellen toen ze arriveerden. Dat was de opdracht van de smokkelaars.

Het witte netwerk heeft een vreemd neveneffect. Hoe sterker levens verweven raken, hoe gekker het wordt dat zij illegaal zijn. De zoons van Hugo krijgen hun eerste vaste baan. Ze hebben relaties en gaan samenwonen. Voor Isiaki en Diallo staat het leven stil. Hun dromen zijn niet eens zo groot. Diallo zou graag trambestuurder worden, desnoods controleur. Isiaki zou het liefst een pabo-opleiding volgen, maar onderwijs-assistent of conciërge is ook goed.

In België en Frankrijk was het tot voor kort mogelijk om na een lange verblijfsduur een vergunning te krijgen. In Nederland waren de regels altijd al strenger.

Het netwerk roert zich. Het vóelt zo oneerlijk, zegt Hugo. De vriendin van Anna kent iemand bij de gemeente dicht bij de burgemeester. De vriendin en Hugo gaan met hem praten. Is het mogelijk om de burgemeester zo ver te krijgen een goed woordje te doen bij de minister? Anna benadert een bevriende advocaat. Hugo mailt landelijke en lokale politici.

De ondernemersclub uit Oss, die af en toe bijeenkomt om een maatschappelijk probleem op te lossen, belegt nu een avond over Isiaki en Diallo. De ondernemers willen niet alleen aan zichzelf denken maar een deel van hun tijd aan anderen besteden. De twintig ondernemers die op die avond bijeen zijn, fronsen de wenkbrauwen. Ze zien twee mannen die zijn ingeburgerd zoals Nederland dat wil: ze dragen bij aan de samenleving, spreken Nederlands, hebben een breed netwerk. Maar de oplossing, een verblijfsvergunning, is onbereikbaar.

Najaar 2017 gaan we naar de dierentuin. Tussen de kinderen huppelt een jongetje van twee: Mohammed. Het is het zoontje van Amadu Diallo en zijn vriendin. „Ik weet dat het niet handig is”, zei hij net na zijn geboorte. „Maar het leven gaat verder, ook als je geen papieren hebt.”

Ali Isiaki is bij vlagen somber. Hij vindt het lastig dat de vele vluchtelingen die in 2015 en 2016 arriveren, ogenschijnlijk zo gemakkelijk verblijfsvergunningen krijgen. Niet dat hij het die mensen misgunt. Maar zij spreken geen of gebrekkig Nederlands en klagen over hun huisvesting, over een karige uitkering. Hij heeft z’n leven op poten. Hij heeft nooit geklaagd. Mag hij misschien ook?

Lastige gevallen

In december 2017 wordt Amadu’s tweede kind geboren. Hij is dolblij maar zijn illegale status drukt zwaar. Hij kan niet met de moeder samenwonen. Hij mag er zelfs niet te vaak zijn om haar te helpen met de kinderen, want dan zijn ze samenwonend. Als een buurtbewoner dat verklikt, en dat gebeurt, dan raakt zij haar uitkering kwijt. Niet dat hij een inkomen heeft, maar omdat de regels zo zijn.

Via de bevriende advocaat van Anna, wordt een nieuwe advocaat gevonden, gespecialiseerd in „lastige gevallen”. Het zal een moeilijk traject worden, denkt zij. Vooral omdat Isiaki en Diallo op een of andere manier moeten bewijzen dat ze in hun geboorteland niet geregistreerd zijn. Is dat wel het geval, dan kan het land inreispapieren niet weigeren. In IND-taal: dan zijn ze „uitzetbaar”. De kans dat in een dorp waar hooguit de imam kon schrijven, iets op papier staat, is klein. Dat bewijzen is moeilijk, maar niet onmogelijk, denk de advocaat.

Ze ziet kansen. Zeker voor Diallo die zich als vader kan beroepen op zijn recht voor zijn kinderen te zorgen. Dat ligt vast in internationale verdragen, die Nederland heeft ondertekend. Voor Isiaki ligt het moeilijker, zegt ze.

Vlak voor Kerst belt Ali Isiaki. Zijn stem klinkt niet rustig zoals anders, maar wanhopig. Hij snakt naar een normaal leven, zegt hij. Met een vrouw en een kind, voor wie hij kan zorgen. Een eigen voordeur. Een baby brengt zoiets dichterbij, weet hij nu. „Maar ik wil alleen een kind als ik het iets kan bieden. Zo ben ik nu eenmaal. Dus ik moet wachten. Maar hoe lang?”

    • Sheila Kamerman