‘Ik vind het juist interessant als je iets niet kunt vatten’

Koen Peeters Voor zijn roman De mensengenezer, over de Westhoek, Congo en dat wat tussen mensen in hangt, kreeg de Vlaming Koen Peeters de ECI Literatuurprijs 2017. Hij stopt nu met zijn kantoorbaan. ‘Ik heb het nodig gevoed te worden door wat mensen vertellen.’

De vrijdag voor Kerst was zijn laatste dag. Koen Peeters (1959) is gestopt met het werk op de communicatieafdeling van een bank, dat hij jarenlang deed naast het schrijven van romans. Stoppen kan nu. De kinderen zijn groot en hij kreeg het afgelopen jaar „zakgeld” door voor zijn laatste roman De mensengenezer de ECI Literatuurprijs 2017 te winnen – de juryprijs van 50.000 euro én de publieksprijs van 10.000 euro.

Nu heeft de Vlaming alle tijd voor research, onderzoek, te verrichten voor toekomstig literair werk: „Ik doe dat supergraag.” Trouwens, Peeters gaat ook, vertelt hij op een schemerige middag, op het kantoor van zijn Amsterdamse uitgeverij, „ingehuurd worden als dommekracht”, door zijn kinderen, die oude huizen hebben die verbouwd moeten worden. „Ik heb het altijd goed gevonden om het schrijven te combineren met werk tussen de gewone mensen, in de gewone wereld, gesteld dat de bankenwereld de gewone wereld is. Met beide voeten op de grond.”

Tussen de mensen ontstaan ook zijn romans: uit de verhalen die hij opvangt. „Ik heb het nodig gevoed te worden door wat mensen vertellen. Ik heb niet zo heel veel verbeelding. En ik vind het fijn om veel werkelijkheid in het boek te brengen, het boek goed te aarden. Dat vergroot de zeggingskracht.” De mensengenezer is een roman die juist het aardse met het ontastbare in verband wil brengen. De hoofdrol speelt datgene wat tussen hemel en aarde in hangt. Peeters corrigeert: „Eigenlijk is dat het niet. Het gaat over wat er tussen de mensen in hangt. ‘Er is meer tussen mensen dan je kunt bevroeden, vriend Horatio’, zo zou ik Shakespeare parafraseren.”

Antropologie

Peeters werd ooit opgeleid als antropoloog – na zijn studie communicatiewetenschap, die „heel oppervlakkig” was geweest – en hij moest nog iets, om na die studie niet terug te hoeven naar de Kempen maar in Leuven te kunnen blijven, bij zijn geliefde. „Een banale reden, daar begint het altijd mee.” Hij was juist op een rommelmarkt Het trieste der tropen van de vermaarde antropoloog Claude Lévi-Strauss tegengekomen, een tropenreisverslag dat pendelt tussen filosofie en antropologie, „een superfijn boek”, en zo kwam hij op dat spoor.

Bij De mensengenezer begon de fascinatie met het verhaal van Renaat Devisch, de oude antropologie-professor bij wie hij ooit colleges volgde. „Van de dingen die hij uitlegde begreep ik ongeveer zeventig procent. Voor mij was dat een deel van de fascinatie: ik moest dus nog verder studeren. Ik vind het juist interessant als je iets niet kunt vatten: het onvatbare, dat waarover men zwijgt.”

Het was in het bijzonder het levensverhaal van Devisch zelf dat hij niet kon vatten. Een jongen uit de Westhoek, het uiterste stukje Vlaanderen aan de Franse grens, waar de Eerste Wereldoorlog kraters had geslagen in het boerenland. Een jongen die niet de boerderij van de familie wilde overnemen, maar novice werd bij de jezuïeten en zo als ‘mensengenezer’ naar Congo vertrok, en daar tussen de boeren terechtkwam, maar ook weer terugkeerde en uittrad. Hij werd antropoloog, en psychoanalyticus. „Die man is novice geworden omdat hij weg wilde van de boerderij en dan gaat hij naar Congo en zit hij weer op het platteland. En toch keert hij nog terug.”

Peeters sprak met de professor, zijn familie, met twintig jezuïetenpaters, reisde naar de Westhoek en naar Congo. Om de plekken te voelen, om de mensen te ontmoeten. Maar die gesprekken en reizen boden meer dan informatie, vertelt Peeters – en dan wordt de materie toch wat ijler. De mensengenezer begint zo: ‘Het wezen, er bestaat misschien zoiets als het wezen van de Westhoek. Misschien is het een geest, een daimon, een genius, die niet bestaat als lichaam maar toch sluipt en heerst in het West-Vlaamse landschap. […] Men kan hem horen hijgen tussen de woorden die de mensen zeggen, in het corpus van zinnen en verhalen die men elkaar vertelt.’ De roman is een uitwerking van het bestaan van dat idee, die geest, die daimon. ‘Hoe noemen we de kracht die iemand verrukt of rusteloos op pad stuurt, over de grenzen van generaties, continenten of zelfs beschavingen heen?’

Het kan in de lucht hangen, het kan in voorwerpen zitten, het kan zich openbaren na ontmoetingen. Peeters: „De Griekse dichter Pindaros zei: ‘Word wie je bent door te leren’, en voor mij is leren dan: in gesprek gaan. Dat bedoel ik met een daimon, in de betekenis van Plato: iemand die plots aan je verschijnt, die jou iets zegt waardoor jij die ene stap opzij hebt doen zetten in je leven. Je komt duizenden mensen tegen, maar sommige mensen hebben een impact op je, die zeggen iets wat bij jou resoneert. Voor Plato was dat een halfgod die van een bovenwereld komt om iets te zeggen dat jij nodig hebt. Ik geloof wel in zulke boodschappen, en dat impliceert niet eens dat die wereld daarboven bestaat.”

Peeters vertelt over een ontmoeting met een oude pater, die hij sprak voor de roman. Negentiger, bijna blind, ze spraken urenlang. „Hij vertelde mij hoe hij Christus had gezien in de ogen van een jonge novice, die later uitgetreden was. Ondertussen werd het donker. Dus ik tast dan naar de lichtschakelaar en hij is verbaasd: ‘Potdomme, kun je die zien? Je hebt ogen scherp als een kat’, zegt hij. Wat betekent dat? Terwijl langzaam het licht uit zijn ogen verdwijnt en hij vertelt over het licht dat hij in iemands ogen zag, zegt hij dat ik, de schrijver, heel goed kon zien. Ik vind dat ontroerend. Daar lijkt me op een epifanie-achtige manier iets hogers gezegd dan ik kan bevroeden.”

Vijfhonderdduizend soldaten

Maar waarin schuilt dan de waarde om zo’n ontmoeting een daimon noemen? „Ja, ik had daar in recensies wel op afgerekend kunnen worden: waar is die gast over bezig? Terwijl het over fundamentele filosofische thema’s gaat, over hoe je omgaat met dingen die je niet kunt uitspreken. Daar moet je toch een woord voor vinden. Dat je aanvoelt dat iemand met een geheim zit, hoe werkt dat? We uiten blijkbaar veel. En zoiets als de dreiging van zelfmoord die in de Westhoek hangt: het is de streek met het hoogste percentage zelfmoorden in ons land. Ja, misschien heeft dat te maken met die vijfhonderdduizend soldaten die daar in de grond zitten. In het landschap maar ook in de verhalen zijn zij nog altijd aanwezig, en daarom betekenen ze iets.”

Een „post-katholiek” noemt Peeters zichzelf. Opgegroeid met de Bijbel en de kerk, maar hij was zo’n jongen die zijn geloof onderweg verloor, „plots valt het van je af, als na een regenbui, en ben je het kwijt”. Maar het laat iets achter: „Een soort leegte die de afwezige God heeft achtergelaten, een religieus instinct. Die maakt dat ik van Bach hou, dat ik de betekenis van verhalen zie, dat ik daar nog steeds over wil nadenken.”

Mag hij even een verhaal vertellen? Het Bijbelverhaal van de Emmaüsgangers: „Over twee mannen die op weg zijn naar het dorp Emmaüs en vergezeld worden door een vreemdeling. Ze vertellen dat ze bedroefd zijn omdat hun leidsman gestorven is, gemarteld aan het kruis. Aangekomen in het dorp nodigen ze de vreemdeling nog uit voor het eten, en de man pakt het brood en breekt het, en dan zien de mannen wie hij is, namelijk hun leidsman. Op het moment dat ze hem herkennen is hij weg.”

Peeters werpt zelf al de vraag op: wat betekent dat? „Voor mij: als je over de doden praat dan zijn ze tussen de mensen die over hen praten, dan wek je ze terug tot leven. En ook: als God bestaat, is hij misschien de vreemdeling die plots daar staat en mee wil lopen, die eten wil. Dat past voor mij bij al die migranten die de Middellandse Zee willen oversteken: laten we alsjeblieft de oude wetten van de gastvrijheid eerbiedigen, mensen in nood helpen. Je moet hulp bieden als maatschappij. Sorry voor mijn prekerige toon, maar ik meen dit. Voor mij is dit geen vrijblijvend boek, het mikt hoger. Het zoekt naar betekenis, al zijn alle oude religieuze luchtbellen vrolijk doorgeprikt.”

Zo geeft Peeters in het gesprek te doen wat hij zelf in De mensengenezer doet, en wat hij toeschrijft aan de antropoloog in hem: we moeten bestuderen hoe mensen losstaande feiten op een zinvolle manier aan elkaar verbinden. Betekenis geven. Zoeken naar dat wat verbindt. Omdat ons dat ook iets over onszelf leert.

„Ik weet niet of Jef Geeraerts jullie in Nederland nog iets zegt, en zijn vroegere Congo-romans? Hoe hij heel zijn libidineuze binnenste projecteert op die Congolezen: als je dat vandaag leest, zie je hoe racistisch dat is, compleet fout! Mijn boek wil daar toch ook een antwoord op zijn: naar Congo gaan en daar juist kijken naar iets universeels. Dat is wat de professor deed. Het begint in de Westhoek, waar ook dat gevecht plaatsvindt met hoe je over de dingen spreekt die je niet kunt uitspreken, die worsteling met het menselijke gebrek. Maar de Yaka van Kwango, in het zuidwesten van Congo, doen dat net zo goed. In iets andere vormen misschien. Aan de muren hier”, hij wijst naar de deur, „hangen portretten van de oude, overleden schrijvers. Waarom? Het zijn de geesten van dit huis, we ontlenen waarde aan de doden. Wat is dan precies het verschil met fetisjen en die zogenaamde vreemde objecten in Afrika?”

    • Thomas de Veen