Hoe te leven na het afscheid?

Afscheid nemen Afscheid en verlies zijn wezenlijke thema’s in veel romans en verhalen. Daarmee brengen schrijvers het mysterie van leven en dood in kaart.

Illustratie Anne van Wieren

Eind jaren negentig ging hij voor het eerst skiën, vertelde David Van Reybrouck me ooit voor een interview in deze krant. Met een groep vrienden reisde hij naar de Noord-Italiaanse Alpen. Vijf van die vrienden zaten in de cabine die door een vliegtuig werd geraakt, ze stierven. ‘Het heeft mij een grote urgentie meegegeven om zinvol werk te doen’, zei hij toen.

Aan die uitspraak moest ik denken toen ik onlangs Sarah Bakewells biografie van Montaigne las. In haar boek over de Franse magistraat en filosoof vertelt zij dat Montaigne als jongeman voortdurend werd gekweld door gedachten aan de dood. Hij stelde zich steeds voor wat hem voor vreselijke dingen zouden kunnen overkomen. In 1563 verloor hij zijn beste vriend, Etienne de la Boétie, aan de pest, later zouden ook zijn vader en zijn jongere broer sterven. Van zijn zes kinderen haalde er maar één de volwassen leeftijd.

In 1569 kreeg Montaigne een ongeluk bij het paardrijden: hij viel, raakte bewusteloos en had een bijna-dood ervaring. Toen hij bijkwam, was het geen traumatische gebeurtenis voor hem geweest, het was een oefening in doodgaan, meer niet. Sindsdien maakte hij zich geen zorgen meer. Zijn motto werd ‘ne pas se soucier de la mort’, ‘je moet je geen zorgen maken over de dood’. Het bleef zijn fundamentele antwoord op de vraag hoe te leven.

Beschermengel

Het ongeluk zorgde er niet alleen voor dat Montaigne zich kon bevrijden van zijn angst voor de dood. Hij realiseerde zich weer eens goed hoezeer zijn leven de moeite waard was. Zodanig zelfs dat hij zijn leven als zijn interessantste onderzoeksthema ging beschouwen. Daarbij nam hij het verdriet om zijn gestorven vriend tot leidraad. Etienne de la Boétie werd zijn imaginaire gids, zijn beschermengel bij zijn verdere carrière. Hij transformeerde zijn verdriet tot literatuur, zo verzachtte hij zijn verlies en kon hij beter omgaan met zijn eenzaamheid. Hij had een nieuwe horizon ontdekt.

Als er één vraag is die de literatuur steeds weer stelt, en ook illustreert, is het wel ‘hoe afscheid te nemen’. Wat betekent zo’n afscheid voor het vervolg van je leven? Hoe nu verder? Literatuur laat het zien. Elke tijd, elk decennium en zelfs elk jaar heeft zijn eigen literaire staalkaart aan verlies. Bij de ene schrijver is het antwoord magisch (Clarice Lispector), geestig (Max Porter) of historisch (Chantal Thomas), bij de ander juist emotioneel, filmisch (Emmanuelle Pirotte) of autobiografisch (Simone de Beauvoir). Een volgende houdt het bij bars verhalend (Khaled Khalifa), poëtisch of herinnerend (Modiano).

In zijn recent verschenen boek Souvenirs dormants schotelt Nobelprijswinnaar Patrick Modiano ons zo’n typisch modianesk aarzelende, in zijn geheugen gravende man voor, die door Parijs loopt en bij elke wijk onwillekeurig wordt besprongen door herinneringen aan een duister verleden dat hij al dan niet zelf heeft meegemaakt. Slapende herinneringen zijn het, herinneringen die ergens zijn opgeslagen en rustig liggen te wachten. Misschien komt er een moment dat ze gewekt worden door een beeld, een plek, een ontmoeting. Onverwacht dringen ze zich dan op.

In dit nieuwe boek van Modiano zijn het bijvoorbeeld herinneringen aan de zondagavonden waarop zijn alter ego terug moest naar zijn internaat in de Haute-Savoie. Herinneringen aan de leegte die hij vreesde. Herinneringen aan boeken, aan vrouwen die van het ene op het andere moment verdwenen, maar ook aan de vele keren dat hijzelf, via een achterdeur, de benen nam.

Hij herinnert zich, tegen wil en dank, alle details van die vreemde ontmoetingen, van die levens die hij juist graag wil vergeten. Je geheugen construeert, zo lijkt het, een verleden dat afhankelijk is van hoe je gebeurtenissen interpreteert. Die interpretatie verandert met de jaren. Vergeten is ook al zo’n wonderlijke zaak. Modiano’s verteller dacht dat hij erin geslaagd was al die niet welkome gedachten uit zijn geheugen te bannen, maar nee, ‘na tientallen jaren komen ze toch weer bovendrijven, als verdronkenen, op sommige tijden van de dag.’

Nageslacht

Verdwijnen in het niets, maar dan onvrijwillig – dat is het lot van veel boeken in Het geheime leven van Henri Pick, de recente, sprankelende roman van de Franse schrijver David Foenkinos. Om daar iets aan te doen begint een oude bibliothecaris boeken te verzamelen die door uitgevers zijn afgewezen. Al snel kan hij het aanbod niet aan, zijn initiatief is een doorslaand succes, de titels stromen binnen. Duizenden mensen sturen hun onuitgegeven manuscript naar de plek waar er nog één exemplaar voor het nageslacht bewaard zal worden.

Een redactrice van een uitgeverij ontdekt er een meesterwerk tussen. Als ze de auteur ervan opzoekt, lijkt het een zojuist overleden pizzabakker te zijn, die in het dagelijks leven niet veel meer dan boodschappenlijstjes schreef. Het wordt een uitermate geestige speurtocht in de boekenwereld en tegelijkertijd een kritisch vertoog over marketing-mechanismen, de impact van roem op de mens en de kansen die het biedt als je onbegrepen door het leven gaat.

Foenkinos, die weet wat het is om bejubeld en verguisd te worden, lardeert zijn verhaal met opmerkingen over lezen en schrijverschap: ‘lezen is volledig egocentrisch. Onbewust zoeken we naar datgene wat ons aanspreekt. Een auteur kan nog zo’n absurd of ongeloofwaardig verhaal schrijven, er zullen altijd lezers zijn die zeggen: ‘het is mijn leven dat hier beschreven staat!’

Ook Foenkinos had, op zijn zestiende, een bijna-doodervaring. Het was een sleutelmoment in zijn leven. Daarna, vertelde hij eens in deze krant, was het alsof hij opnieuw geprogrammeerd was, hij was gereset. Hij ging schrijven, musiceren, schilderen. Na zijn operatie had hij een talent dat hij daarvoor niet had. Het maakt hem nederig, schrijven is een gave die hem zomaar in de schoot is geworpen. Wellicht heeft het hem gevoelig gemaakt voor de tragiek van geweigerde manuscripten, even zovele pogingen om het leven om te zetten in literatuur. Vanaf zijn eerste boek heeft Foenkinos blijk gegeven van een obsessie met herinneringen, met het voorbijgaan van de tijd, met ouderdom en met de dood. Schrijven! Scheppen! Werken! is zijn antwoord daarop, met passie, liefde, humor en creativiteit.

Tragische afgrond

Als je een paar recente romans ter hand neemt, zie je dat Clarice Lispector in haar onlangs vertaalde roman Het uur van de ster verwante demonen bestrijdt. Haar ongrijpbare stijl, haar magie, haar meta-discours over wat schrijverschap nu eigenlijk vermag – ze proberen ons een ander zicht te bieden op dezelfde tragische afgrond.

Heel anders is de manier waarop Alice Munro, in haar verhaal ‘De droom van mijn moeder’ (uit Familiestukken) de dood van een soldaat en de geboorte van een kind benadert: Munro doet dat ogenschijnlijk toegankelijk, verhalend, met slim wisselende perspectieven. Zo verleidt ze ons met meesterhand en verliezen we ons samen met haar hoofdpersoon, die weer uit de diepte omhoog weet te krabbelen dankzij haar viool.

Max Porter geeft aan zijn met de Europese Literatuurprijs bekroonde boek Verdriet is een ding met veren een absurdisme mee dat niet alleen geestig en beeldend is, maar ook vrolijk troostrijk. Vandaag leven we nog van Emmanuelle Pirotte vertelt een spannend oorlogsverhaal dat begint met een executie die anders loopt dan gepland.

Khaled Khalifa, tot slot, laat ons meevoelen met de trouwe zoon die het lijk van zijn vader honderden kilometers verderop in zijn geboortedorp, midden in Syrisch oorlogsgebied, gaat begraven. De dood is een zware klus beschrijft een helse, absurde rit waarbij het lijk zelfs wordt gearresteerd, aangezien het bij leven door de autoriteiten werd gezocht – een extremere vorm van toewijding en rouw heb ik zelden gelezen.

Vluchten

De Pakistaans-Amerikaanse auteur Mohsin Hamid heeft, als het gaat om afscheid nemen, voor een actueel en breed perspectief gekozen. In zijn recente roman Exit West laat hij zijn hoofdpersonen, Saïd en Nadia, vluchten uit een niet nader genoemd vaderland, waar gewelddadige religieuze extremisten de macht dreigen over te nemen. De burgeroorlog breekt uit. Alles wordt anders, van steeds meer zaken moeten ze afscheid nemen, van hun levenswijze, van hun vrienden, hun werk, hun huis. Stap voor stap nemen ze noodgedwongen afscheid van het leven dat ze kenden, ze ‘peddelen ieder op hun eigen diverse stromen van de tijd en kwamen elkaar nu en dan tegen’.

Hoewel ze zich er lang tegen verzetten, besluiten ze op een dag toch ‘door de deur’ te stappen. Het is een magische deur, een deur waardoor vóór hen al zoveel landgenoten zijn vertrokken, een imaginaire poort die leidt naar een nieuw leven in een ver, onbekend en veilig, maar niet per definitie gastvrij land.

Mooi beschrijft Hamid vanuit het perspectief van Nadia die beslissende stap in den vreemde: ‘het overviel haar hoe donker het gat was, hoe ondoorzichtig, dat het absoluut niet onthulde wat er aan de andere kant was noch weerspiegelde wat er aan deze kant was, waardoor het aanvoelde alsof ze voor een nieuw begin stond en tegelijk voor een eindpunt.[...] De passage voelde aan als sterven en tegelijk als geboren worden.’

Als ze aanspoelen in hun nieuwe land, zien ze een strook land, golven, een strand. Een nieuwe horizon.

Hamids hoofdpersonen, de vrijgevochten Nadia en de conservatievere Saïd reageren ieder op hun eigen manier op de scheur in hun leven. Ze worstelen met het verlies, Saïd zoekt troost in het gebed, terwijl Nadia juist neigt naar aansluiting zoeken bij andere vluchtelingen. De een zoekt naar het vertrouwde, naar de bekende taal, naar mensen met wie hij zijn verleden deelt. De ander heeft minder moeite met de sprong in het diepe.

Op een dag zit Nadia op de treden voor een gebouw, op haar telefoon het nieuws te lezen en ineens heeft ze het gevoel dat ze zichzelf daar ziet lezen. Ze vraagt zich af hoe dat kan, ‘dat ze tegelijkertijd het nieuws las en het nieuws wás’. Ze heeft ‘het bizarre gevoel dat de tijd zich van alle kanten om haar heen vouwde, alsof zij iemand uit het verleden was die las over de toekomst, of iemand uit de toekomst die las over het verleden.’ Nadia heeft een existentiële ervaring, ze stijgt als het ware boven zichzelf uit, ervaart een verwarrende meervoudigheid.

Saïd beleeft het afscheid van zijn eerdere leven anders, zoekt het in een andere vorm van spiritualiteit. Hij bad vaker, schrijft Hamid, hij bad ‘als een gebaar van liefde voor wat voorbij was en voorbij zou gaan en waaraan hij op geen andere manier zijn liefde kon betuigen, hij raakte aan een gevoel dat we allemaal kinderen zijn die hun ouders verliezen, ieder van ons, elke man en vrouw en jongen en meisje, en dat ook wij allen zullen worden verloren door degenen die na ons komen en liefhebben, en dat dit verlies is wat de mensheid verbindt, wat alle mensen met elkaar verbindt, de tijdelijkheid van ons bestaan’.

Zo biedt literatuur ons een staalkaart aan rituelen van afscheid nemen en verder gaan. Iedere schrijver duidt op zijn eigen manier die passage van afscheid en verlies en ieder personage verkent op zijn eigen wijze het mysterie van leven en dood.

Om daarna een nieuwe horizon te ontdekken.

    • Margot Dijkgraaf