Column

Het verhaal over ’68 dat nieuwrechts verdonkeremaant

Cultuur-marxisme? Revolutiejaar 1968 bracht juist de krachten voort waaraan het marxisme in het Oosten ten onder zou gaan, schrijft Hubert Smeets.

Betogers in Praag proberen op 21 augustus 1968 een Sovjet-tank tegen te houden. Foto Libor Hajsky/AP

Vandaag vijftig jaar geleden kwam Novotny ten val. Wie? Antony Novotny, de eerste secretaris van de communistische partij van Tsjechoslowakije die economisch en politiek het spoor bijster was. Op 5 januari 1968 stemde het centraal comité van de partij hem weg ten gunste van Alexander Dubcek.

Het begin van een roemrucht jaar, dat nog steeds tot de verbeelding spreekt. Denk aan de bezetting van de universiteit van Nanterre in maart – één week nadat Le Monde kopte ‘Als Frankrijk zich verveelt’ – waarmee soixant-huitards als ‘rode’ Danny Cohn-Bendit hun opmars begonnen. Of aan de brand in april in een Frankfurter warenhuis, die speedfreak Andreas Baader van de latere Rote Armee Fraktion had gesticht om de oorlog uit de ‘periferie’ Vietnam naar de ‘metropool’ Duitsland te halen. De conventie in augustus van de Democratische Partij in Chicago, die in chaos eindigde, mocht er ook wezen.

Deze geest van ’68 wordt een halve eeuw na dato niet meer alleen herdacht als het begin van de dominantie der babyboomers, maar steeds meer ook als bron van al het kwaad dat ons teistert. Nieuwrechtse denkers in Europa en Amerika hebben er zelfs een term voor: ‘cultuur-marxisme’.

Deze interpretatie mag in het Westen polemische kracht hebben, ze miskent de betekenis van ’68 in het Oosten. Want daar was 1968 juist een kraamkamer voor krachten waaraan het marxisme in het ‘socialistische kamp’ ten onder zou gaan.

In Tsjechoslowakije gingen Dubcek c.s. na Novotny werken aan een ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Hij hield het slechts zeven maanden vol omdat de Praagse Lente de communistische buren de stuipen op het lijf joeg, vooral in de DDR, Oekraïne en Rusland. Pas in 1989 keerde Dubcek na pesterige vernederingen terug: als parlementsvoorzitter in het democratische Tsjechoslowakije van de anticommunistische schrijver Vaclac Havel.

Polen volgde snel in 1968. Studenten gingen in maart in Warschau, Krakow, Gdansk en zes andere steden de straat op, nadat geschiedenisstudent Adam Michnik door de antisemitische autoriteiten van de universiteit was geschopt. De beroerde toestand van de economie en het verbod op een vermeend anti-Russisch toneelstuk van de 19de-eeuwse dichter Adam Mickiewicz speelden eveneens een rol. Ruim twee decennia later werd Michnik oprichter-hoofdredacteur van de liberaal-democratische krant Gazeta Wyborcza.

Ook over Joegoslavië werd de geest van ’68 vaardig. In juni daagden studenten in Belgrado, Sarajevo, Zagreb en Ljubljana het bewind van Tito uit, mede omdat diens zogeheten ‘arbeiderszelfbestuur’ een wassen neus was. Filosoof Dragoljub Mićunović, die de oppositie toen steunde, richtte later de Democratische Partij op. Geestverwant Zoran Dindic werd in 2001 premier van Servië, al was dat succes van korte duur omdat hij in 2003 werd vermoord.

Zelfs in de Sovjet-Unie rommelde het. Kernfysicus Andrej Sacharov publiceerde in mei ’68 zijn Pleidooi voor een menswaardig bestaan. De ‘vijfde afdeling’ van de KGB wist daar toen raad mee. Maar in 1990 was Sacharov ineens de geestelijk vader van het besluit om de ‘leidende rol’ van de communistische partij uit de Sovjet-grondwet te schrappen.

Het is deze historie die de westerse critici van ’68 nu verdonkeremanen, omdat die in hun kraam niet te pas komt. Maar dat is geen reden de oosterse geest van ’68 à la Dubcek, Sacharov en Michnik te negeren, omdat ze cultuur-marxistische complotteurs zouden zijn. Integendeel: zonder 1968 geen 1989.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.