Recensie

Het jaar 2018 in romans verklaard

Michel Krielaars

2018 wordt het jaar van Midden-Europa, ofwel van het oostelijk deel van ons continent dat op de Ostbahnhof in Berlijn begint. Niet voor niets spreken Duitsers altijd van Mitteleuropa, waar intellectuelen, of ze nu in Boedapest, Boekarest, Wenen of Praag woonden, tot aan de Tweede Wereldoorlog het Duits als lingua franca hadden.

Om het huidige Midden-Europa met zijn politieke en maatschappelijke spanningen enigszins te begrijpen, moet je je toevlucht zoeken bij de literatuur. Ik besefte dat weer eens toen ik afgelopen week Piet de Moors Hotel Europa las, een uitgebreidere en herziene versie van zijn in 2005 verschenen Schemerland. Stemmen uit Midden-Europa. Bij herlezing maakte dat boek opnieuw indruk op me, ook omdat ik inmiddels bijna alles gelezen heb van de schrijvers die erin worden behandeld, zoals de Duitse Jood Edgar Hilsenrath, de Italiaan Claudio Magris, de Albanees Ismail Kadare, en vanwege de continuïteit van de oorlogszucht van de mens ook Aeschylus en Thucydides. Hotel Europa heeft me dan ook een tweede verdieping van mijn kennis opgeleverd.

De Moor reist naar Midden-Europese steden, waar hij met schrijvers spreekt die zijn wereldbeeld verhelderen. Als geen ander lijkt hij te beseffen dat je je kennis van de werkelijkheid alleen kunt toetsen door zelf ter plaatse poolshoogte te nemen. Zo voorkom je dat je meer door je emoties dan door de feiten wordt geleid. Dat rondreizen verklaart ook waarom een schrijver en journalist als Joseph Roth vrijwel als enige reeds in de jaren twintig de triomf van de nazi’s kon voorspellen.

Voor de Tweede Wereldoorlog blonk Midden-Europa uit door multi-etnische samenlevingen. Dankzij de moordpartijen van Hitler is daar niets meer van over. In dit verband citeert De Moor de Britse historicus Timothy Garton Ash, die opmerkte dat de nieuwe democratieën in Midden-Europa alleen konden ontstaan in ‘gezuiverde’ naties. Als gevolg van het verdwijnen van die rijke multi-etnische cultuur, die viertalige steden als Praag, Czernowitz, Lemberg en Bratislava zo boeiend maakte, zijn de jonge democratieën in Midden-Europa zo kwetsbaar en ontvankelijk geworden voor extreem-rechts gedachtegoed.

In het multi-etnische Joegoslavië zag De Moor de Midden-Europese ziel verdampen in Hotel Europa in Sarajevo. Het werd in 1992, toen Bosnië de onafhankelijkheid uitriep, door de Serviërs in puin geschoten als prelude op hun beleg van die stad. Volgens de Servische schrijver Aleksandar Tisma ontketenden zijn landgenoten ‘een bandietenoorlog, aangesticht en aangewakkerd door schurken die de bestaande etnische spanningen slechts als voorwendsel gebruikten om hun rijkdom en hun macht, die door de val van het communisme in het gedrang waren gebracht, te handhaven en te vergroten.’ Treffender kun je de situatie in voormalig Joegoslavië niet omschrijven.

De oorlog in Joegoslavië heeft Claudio Magris al in 1986 voorspeld in Donau, een wijs boek van een schrijver wiens oeuvre één grote remedie is tegen het geloof in totalitaire systemen, die de wereld tot iets algemeens reduceren. Drie jaar geleden zocht ik hem op in zijn woonplaats Triëst. Hij was net terug uit de Verenigde Staten, waar hij op Princeton een serie gastcolleges had gegeven. Geschokt vertelde hij me dat zijn studenten niet wisten wie Stalin was. Het moet hebben gevoeld alsof hij zijn boeken voor niets had geschreven.

    • Michel Krielaars