Opinie

    • Paul Scheffer

Ons driestroompjesland

Nederland heeft geen idee meer over het algemeen belang. Verbindende ideeën ontbreken, ‘one-issue’ partijen winnen. En al dat gehamer op herkomst helpt al helemaal niet. Wat we nodig hebben, zijn morele meerderheden die willen leven naar het idee van gelijkwaardigheid. En een vernieuwd sociaal contact, schrijft .

Illustraties Hajo

Misschien is me een kleine terugblik vergund. In 1995 schreef ik een artikel in deze krant: ‘Nederland als open deur’. Rond begrippen als tolerantie, consensus en gelijkheid probeerde ik een beeld te schetsen van de politieke cultuur en te beargumenteren waarom die opnieuw uitgevonden moest worden. Het leek me duidelijk dat het zelfbeeld van Nederland onder invloed van immigratie en europeanisering zou gaan veranderen.

Dat riep veel afwijzende reacties op en samen met mijn scherpste criticus bundelde ik die reacties. Toen Het nut van Nederland uitkwam, organiseerde de Balie een bijeenkomst. Tot mijn verbazing wilde de bekende historicus Ernest Kossmann, die toch een heel oeuvre over dat onderwerp bijeen had geschreven, het liever niet hebben over het vraagstuk van identiteit. Volgens hem moesten we „pompeuze woorden als nationale identiteit, erfgoed, geestesmerk” niet gebruiken: „Een land als het onze heeft zulke retoriek niet nodig.”

Ik had zo mijn twijfels bij die zelfgenoegzaamheid: onder de oppervlakte van een snel groeiende individuele welvaart was in de jaren negentig een verwaarlozing van de publieke zaak voelbaar. Het was nodig een ‘zelfbeeld in verandering’ te overdenken om te voorkomen dat daar tegenover een ‘zelfbeeld in stilstand’ zouden worden gesteld. Ook Kossmann zag dat er iets aan het gisten was, maar bleef beducht voor het spreken over identiteit: „Loop er liever met aandacht omheen, bekijk het van alle kanten maar stap er niet in, behandel het kortom als een enorme kwal op het strand.”

Alles bijeen vond hij mijn getob zwaar overdreven en hij had de zaal op zijn hand. Ik dacht: „Misschien zie ik het wel helemaal niet goed, maar het kan ook zijn dat de ironie ietwat is achterhaald.” Andere landen worstelden met hun identiteit en erfgoed, het eeuwige gidsland was daar blijkbaar boven verheven: „Een land als het onze heeft dat niet nodig.” De geschiedenis kwam toch wel onze kant uit. Het is duidelijk: de zelfrelativering was eigenlijk een vorm van zelfverheffing.

Nu, twintig jaar later, staat de identiteitskwestie in het middelpunt van een oplopende meningenstrijd, ook de laatste verkiezingen stonden in dat teken. Misschien is het geruststellend om te weten dat anderhalve eeuw geleden Rudolf Thorbecke al twijfelde. Hij noteerde in 1844: ‘Bezit de natie nog die kracht en dat karakter, dat zij verdient, meer dan in naam en schijn zelfstandig te zijn. Men kan soms twijfelen … maar wij moeten handelen, alsof wij bestemd zijn, enig eigen oorspronkelijke nationaliteit voor alle tijden te bewaren.’ Voor alle tijden is wat veel van het goede, laten we zeggen: voor de afzienbare tijd.

Natuurlijk moet Europa op termijn een groter gewicht krijgen, maar vooralsnog wegen de nationale staten zwaarder. Dat is niet alleen een normatieve vraag, maar allereerst een empirisch gegeven. De nationale staat is nog steeds een betekenisvolle ruimte, sterker nog: in termen van communicatie, identificatie en solidariteit is het voor de meeste burgers veruit de belangrijkste ruimte; alle beschouwingen over wereldburgerschap in een grenzeloze tijd ten spijt.

Een paar voorbeelden. Wat betreft de communicatie: het telefoonverkeer in Nederland is binnen de grenzen 6500 keer intensiever dan het telefoonverkeer over die grenzen heen. Als we naar identificatie kijken, dan blijkt volgens het wereldwijde onderzoek World Values Survey de beleving van nationale identiteit sterk te zijn: in vrijwel alle Europese landen zegt tachtig procent of meer zelfs ‘trots’ te zijn op het eigen land. Tenslotte de solidariteit: de totale begroting van de EU is niet meer dan 1 procent van het totale bbp van de lidstaten. De nationale staten geven tussen de 40 en 50 procent van het nationale inkomen uit.

Dat is geen gegeven voor alle tijden, maar momenteel komen gemeenschap, gelijkheid en vrijheid vooral bij elkaar op een nationale schaal. Filosoof Maarten Doorman ziet het goed: „Dat gevoel van gemeenschap maakt het mogelijk dat de burger zich herkent in een vertegenwoordiging op nationaal niveau. Het succesvol vormgeven van gelijkheidsidealen en het scheppen van voldoende voorwaarden voor vrijheid is ondenkbaar zonder de politieke gemeenschap waarin ze gestalte moeten krijgen.”

Het kan dus geen verbazing wekken dat in een wereld waar grenzen vervagen de ongelijkheid en de vervreemding toenemen.

We zien nieuwe breuklijnen in de samenleving, die zorgen voor sociale en culturele spanningen. Op zichzelf vernieuwt een open samenleving zich in en door het conflict, maar de botsing van deelbelangen is niet productief als er geen idee meer is over het algemeen belang. Het kan geen toeval zijn dat een groeiend aantal mensen de veiligheid van de hokjesmentaliteit opzoekt. De identiteitspolitiek rukt op.

Het gaat denk ik om vijf nieuwe breuklijnen.

  1. Allereerst tussen hoog- en laagopgeleid. Het meritocratische ideaal, dat nu als norm geldt, heeft onbedoelde gevolgen: de ongelijkheid die voortkomt uit afkomst maakt plaats voor een minstens even harde ongelijkheid op basis van verdienste. En inderdaad, wanneer iedereen zijn of haar talent ten volle kan benutten, wat is de uitkomst als je minder talent hebt? Hoe verhouden arm en rijk zich tot elkaar en wie voelt zich nog verantwoordelijk voor de nieuwe ongelijkheid?

  2. Ook zien we tegenstellingen tussen gevestigden en nieuwkomers. De hele migratiegeschiedenis is vol van conflict tussen de autochtone bevolking en migranten. Die conflicten kunnen we zien als onderdeel van een proces van integratie, tenminste als die conflicten geweldloos zijn. Het risico is dat teveel nadruk wordt gelegd op een verdeelde herkomst en te weinig naar een gedeelde toekomst wordt gekeken.

  3. Vervolgens is er nog een andere breuklijn, namelijk tussen seculier en religieus, vooral waar het gaat om orthodoxe stromingen. Nederland is in de twintigste eeuw veranderd
 van een religieus land in een overwegend ongelovig land. Er zijn maar weinig landen in de wereld die zo van God los zijn als Nederland – we staan in de top tien – en dat seculiere zelfbeeld botst vooral op een nieuwe gelovige gemeenschap. Er wordt dan ook volop gestreden over de plaats van de islam in een liberale rechtsstaat.

  4. Daarnaast dringen nieuwe tegenstellingen tussen jong en oud zich op. Het is duidelijk dat door de vergrijzing de verhouding tussen werkenden en mensen die van een pensioen of uitkering afhankelijk zijn langzaam uit het lood raakt. Een overtal van jongeren leidt tot maatschappelijke onrust en verandering – dat weet elke demograaf –, maar brengt een overtal aan ouderen geen groeiende behoudzucht met zich mee?

  5. Tenslotte, zeker niet het minst belangrijk en eigenlijk van een andere orde, zien we een nieuwe tegenstelling tussen mens en natuur. De meeste mensen zijn er langzamerhand van doordrongen dat de opwarming van de aarde een groot probleem vormt. Maar ook bijvoorbeeld de bio-industrie, de luchtverontreiniging en het fossiele energieverbruik maken zichtbaar dat onze omgang met de natuur uit het lood is geslagen.

Er is dus veel aan gelegen om de maatschappelijke samenhang te vergroten, maar het integratieve vermogen van de klassieke partijen is juist snel afgenomen. In 1986 hadden de drie grote partijen (CDA, PvdA en VVD) nog 133 zetels; in 2017 was dat aandeel verschrompeld tot 61 zetels. Dat kan niet verbazen, want ze zijn het product van het einde van de negentiende eeuw, andere breuklijnen stonden toen centraal. Het is eigenlijk wonderlijk dat ze het meer dan een eeuw hebben volgehouden.

Met die ineenstorting van de oude zuilen gaat iets verloren, want die partijen combineerden wel een emancipatoir ideaal met het algemeen belang. En waar verbindende ideeën ontbreken, wint zoals gezegd de hokjesgeest: een moslimpartij, een dierenpartij, een ouderenpartij, een witte partij, een zwarte partij, een groene partij, een orthodoxe partij … tel uit je winst. Bij elkaar hebben deze partijen nu al minstens een derde van het electoraat weten te winnen en het is niet uitgesloten dat one-issue partijen een meerderheid gaan vormen.

De gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam en Rotterdam zullen een interessante testcase worden: de verkaveling zal daar flink doorzetten met lokale afdelingen van Denk, Forum voor Democratie, Bij1, PVV en nog veel meer. De dag na de verkiezingen van 18 maart zal menigeen geschrokken het slagveld in deze steden aanschouwen en vaststellen dat het moeilijk wordt een stadsbestuur te vormen.

Het ongenoegen over de verzuilde partijen is overigens niet van gisteren. Integendeel, al in 1938 klaagde de sociaal-democraat Stuuf Wiardi Beckman dat het Nederlandse bestel steeds minder in staat is „om politieke vorm te geven aan de veranderingen in de volksovertuiging en aan de snelle sociaaleconomische ontwikkeling van onze dagen. … Steeds zwaarder drukt de last van de onzuivere partij-indeling op de politieke ontwikkeling van ons land”. Zijn slotsom: „Ons politieke leven is verstard”.

Dertig jaar later, in 1968, schreef een opkomende politicus: „Het slop waar de Nederlandse politieke partijen in zitten is eigenlijk maar een symptoom. Als je die crisis in een paar woorden wilt samenvatten, dan is het dat er een steeds hogere en steeds ondoordringbaarder muur groeit tussen die machthebbers aan de ene kant en de gewone mensen aan de andere.” Die politicus was Hans van Mierlo, en we zien onmiddellijk waarom D66 de eerste populistische partij van ons land kan worden genoemd. Nodig was volgens hem een „ontploffing” van het bestel. Weer dertig jaar later, rond de eeuwwisseling, was het Pim Fortuyn, die het verstarde bestel aanklaagde. Hij zei niet veel nieuws, maar voor het eerst viel de aanklacht samen met de daadwerkelijke ontzuiling van de politiek. Ik noemde het al: het driestromenland is verpieterd tot een driestroompjesland. De ineenstorting van het traditionele partijenbestel is volop gaande en vijftig jaar later schrikt de partij van Hans van Mierlo er enorm van.

Die leegte kan niet meer worden afgedekt door een vierpartijenregering met een meerderheid van welgeteld één zetel. Er moet worden gekozen: alsnog de uitgestelde doorbraak van het oude bestel realiseren of rustig wachten op de populistische inbraak die gaat komen. Het uiteenvallen van de drie zuilen is onomkeerbaar – de liberalen zullen na Rutte ook veel aanhang verliezen – en vraagt om een vernieuwing van het politieke bestel.

Het begint met vormen van directe democratie: de cyclus van verkiezingen om de vier jaar volstaat niet meer. Nodig zijn in ieder geval bindende referenda – ook over internationale verdragen – en een gekozen burgemeester. Er is eindeloos geaarzeld over staatsrechtelijke hervormingen, maar het machtsbehoud van de klassieke partijen heeft zijn langste tijd gehad.

Daarnaast is nieuwe partijvorming nodig of eigentijds: nieuwe ‘bewegingen’ zijn welkom. Wellicht zien we in de prille samenwerking van drie oppositiepartijen (PvdA, GroenLinks en de SP) het begin van een ontzuilde hervormingspartij die Nederland nodig heeft. En waarom zouden bijvoorbeeld de liberalen van VVD en D66 op termijn niet een nieuwe partij tot stand kunnen brengen? Misschien is ook Forum voor Democratie zo’n vernieuwing ter rechterzijde, voor een oordeel is het nog te vroeg.

Meer nog dan partijen gaat het om programma’s. De geschiedenis van Nederland is altijd een subtiele combinatie van aanpassing en ordening geweest. Natuurlijk moet een kleiner land zich ook aanpassen aan een woelige omgeving, maar zonder ordeningsstreven zal de weerstand tegen veranderingen alleen maar groeien. Dat is het grote tekort van de regeringen in de laatste jaren. Het lukt niet om een paar samenbindende ideeën te formuleren. Juist daardoor neemt de bereidheid om te veranderen af. Er zijn meerderheden die begrijpen dat niet alles bij het oude kan blijven, maar die willen wel oriëntatie.

Er is dus behoefte aan een nieuw ordeningsstreven. Kim Putters van het Sociaal Cultureel Planbureau schreef een pleidooi: „De scheidslijnen langs leeftijd, opleidingsniveau en etniciteit verdiepen zich … er is een herkenbaar nieuw sociaal contract met de samenleving nodig.” (NRC, 9 juli 2016). Dat lijkt me een goed uitgangspunt: deze breuklijnen – waar ik die tussen seculiere en gelovige burgers en die tussen mens en natuur aan toe zou voegen – vragen dringend om een nieuwe verbeelding van Nederland.

Willen we het sociale contract opnieuw vormgeven, dan hebben we om te beginnen een idee over burgerschap nodig. De kern daarvan is de norm van non-discriminatie. En daar bestaat veel onzekerheid over. De strikt juridische uitleg van gelijke behandeling zegt dat je er ook discriminatoire ideeën op na mag houden. Zo zijn er mensen die vinden dat moslims als gelovigen minder rechten hebben dan anderen, sterker nog de tweede partij van Nederland draagt deze mening uit. Er zijn ook genoeg gelovigen die vinden dat ongelovigen of homoseksuelen of vrouwen minderwaardig zijn.

Dat mag allemaal, maar we weten hopelijk ook dat een open samenleving meerderheden nodig heeft die geloven in gelijkwaardigheid. Daar kunnen we niemand toe verplichten, we gaan geen gewetens beknellen uit naam van de openheid. Daarom is het niet waar dat de maatschappelijke integratie geslaagd is als iedereen zich aan de wet houdt. Dat is zo’n verschrikkelijk misverstand, het gaat om meer dan een strikt juridische uitleg. Er zijn morele meerderheden gevraagd die willen leven naar het idee van gelijkwaardigheid. Die bereid zijn eigen vooroordelen onder ogen te zien en niet ‘na u’ zeggen als ze voor de draaideur van hun eigen gelijk staan.

Zo’n nieuw sociaal contract beoogt dus de scheidslijnen die ik eerder heb aangeduid te overbruggen. In een democratie bestaan er natuurlijk uiteenlopende ideeën over de manier waarop deze tegenstellingen moeten worden opgevat. De een zal meer nadruk leggen op gelijkheid, een ander op duurzaamheid en weer een ander op openheid of vrijheid; maar waar het om gaat is dat gestreden wordt over het algemeen belang, dat partijvorming niet versplintert in een regenboog van deelbelangen.

Bij zo’n burgerschapsideaal hoort nog iets: we hebben symboolpolitiek nodig. Een verbeelding van Nederland begint met het inzicht dat cultuur altijd in het teken staat van creativiteit én continuïteit. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen, want dat burgerschap is in essentie het besef dat er iets aan je vooraf is gegaan en ook na je komt, het besef deel uit te maken van een groter geheel.

Daar horen ook de ‘zwarte’ bladzijden van ons verleden bij, of in dit verband beter de ‘witte’ plekken in ons collectieve geheugen. Stel je voor dat we de publieke ruimte van het ‘zondige’ erfgoed hadden gezuiverd! De discussie over Witte de With – een zeeheld die me trouwens niet helder voor de geest stond – deed me denken aan iets wat ik jaren geleden hoorde in Neurenberg. Daar hadden de Groenen voorgesteld om de Reichsparteitagsgelände – het manifestatieterrein waar Hitler zijn beruchte speeches hield – te slopen. Godzijdank waren er genoeg mensen die begrepen dat het juist moest blijven staan, een schandvlek waar je niet omheen kunt en dus verhalen over moet vertellen.

Het is echt beter om in een land te leven waar de namen van de straten, de pleinen en de gebouwen niet veranderen met de laatste controverse, maar juist als een graat in de keel blijven steken. Ja, we moeten ons de slavernij willen herinneren, niet uit zelfkastijding, maar omwille van zelfonderzoek. We moeten niet verteerd worden door het verleden, het moet ons juist voeden. Ik ben zelf ‘ambassadeur’ voor het slavernijmonument geweest: niet omdat ik me schuldig voel over de daden van verre voorouders, wel omdat ik me verantwoordelijk voel voor de herinnering aan die daden.

Namen van pleinen en straten moeten niet met de laatste controverse veranderen, maar juist als een graat in de keel blijven steken

Juist omdat we zo slecht zijn in symboolpolitiek maken we nu een kleine beeldenstorm mee; juist omdat we erfgoed en openheid niet weten te combineren zien we een opkomst van de identiteitspolitiek. Al dat gehamer op herkomst helpt helemaal niet: hoe meer het gaat over etnische minderheden, hoe dichterbij het moment komt dat de etnische meerderheid zich breed gaat maken. Wit is dan inderdaad ook een kleur geworden. Dat is in essentie het populisme: een beroep op de etnische eigenheid van de meerderheidsbevolking.

Zeker Nederland is onomkeerbaar een veelkleurige samenleving geworden, maar de Nederlandse geschiedenis omschrijven als een ‘blanke’ geschiedenis, dat is een pijnlijke vergissing. Rembrandt een blanke schilder, Nescio een blanke schrijver, Johan Huizinga een blanke historicus, Thorbecke een blanke staatsman? Proef die woorden en huiver. En trouwens, horen de activist Anton de Kom, de schrijver Tjallie Robinson en de staatsman Mohammed Hatta dan niet bij die geschiedenis?

We moeten verhalen over Nederland kunnen vertellen die laten zien dat het altijd een tamelijk pluriforme samenleving geweest met een lange migratiegeschiedenis. Daarin schieten we zeer tekort: de mislukking van het Nationaal Historisch Museum laat dat goed zien. Het begon met de onwil van een minister die het uiteindelijk in Arnhem nabij het Openluchtmuseum plaatste en eindigde in een postmoderne potpourri van beide directeuren. Dat mag niet het laatste woord zijn, beter nog: Nederland heeft zo’n museum meer dan ooit nodig, juist vanwege alle ongemak dat daar bij hoort.

Het is moeilijk te zeggen of er sprake is van een overgangstijd of van een langere periode van stagnatie, misschien zelfs verval van onze politieke cultuur. Het sociale weefsel wordt in ieder geval rafeliger. Een onderzoek toonde enkele jaren geleden een merkwaardig beeld van de stand van ons land. De houding van de meeste ondervraagden liet zich samenvatten met de gedachte ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’.

Maar wat is dat ‘ons’ dan waarover zo neerslachtig wordt geoordeeld? In ieder geval gaat het over een onvermogen om in tijden van globalisering een nieuwe verbeelding van de Nederlandse samenleving vorm te geven en een nieuw sociaal contract na te streven. Velen hebben het gevoel dat het met hun eigen welzijn niet zo slecht is gesteld, maar dat de gemeenschapszin te wensen overlaat. Het achterstallige onderhoud van de publieke zaak heeft zeker ook een immateriële kant en kan daarom zeker niet alleen worden opgelost met economische groei.

Een besef van de eigen kwetsbaarheid, maar ook van een beperkte horizon is nodig. De pijnlijke ontnuchtering die in Srebrenica begon heeft zich doorgezet. Inderdaad, de geschiedenis geeft ons geen gelijk. Dat afscheid van illusies omtrent het gidsland is geen teken van een naar binnen gekeerde houding, maar juist de erkenning dat we meer over de grens moeten leren kijken. Nederland lijkt meer op Zwitserland, België, Denemarken en Oostenrijk dan ons misschien lief is.

Ik weet niet of het gaat lukken, zo’n vernieuwing van het sociale contract, want het politieke bestel is helemaal niet meer toegesneden op de noden van deze tijd. De zuilen van weleer liggen er desolaat bij. De doorbraak die in de naoorlogse periode gestalte had moeten krijgen is er nooit echt gekomen en kan inmiddels niet veel langer worden uitgesteld. Het maatschappelijke midden wordt in de steek gelaten, zoveel is duidelijk. Als een liberale verbeelding van Nederland niet mogelijk blijkt, dan zal de autoritaire verleiding het winnen.

Misschien moeten we niet meer zo eerbiedig om de kwal van Kossmann heenlopen.

    • Paul Scheffer