Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Focussen

De vraag of Camiel Eurlings de Olympische Spelen in Pyeongchang haalt, houdt iedereen bezig. Behalve onze schaatsers, een bevolkingsgroepje dat alleen in rondjes kan denken. Al het andere is ‘ruis’, veel te ingewikkeld. Als ze zich met het slaan van vrouwen bezig moeten houden, kunnen ze over anderhalve maand niet meer ‘focussen’.

We hebben het hier over zo hard mogelijk vooruit schaatsen. Natuurlijk moet je dat geconcentreerd doen, maar je kunt ook overdrijven. Dat hebben we in 2010 geleerd, toen Sven Kramer door zijn totale focus vergat om van baan te wisselen. Fout van de coach, die het verkeerd aangaf. In Sotsji ging het weer bijna mis, omdat Sven de avond voor ‘de belangrijkste race van zijn leven’ niet had kunnen slapen omdat er elke vijf minuten een Russische bus naast zijn huisje in het olympisch dorpje stopte.

Dat was meteen ook de meest radicale mening van een schaatser over de Winterspelen in het Rusland van Poetin. Het kan schaatsers, net als andere topsporters, niet schelen waar ze zijn, wie of ze een medaille omhangt en wat er om hen heen gebeurt. Zelfs als er een collega, zoals turner Yuri van Gelder, wordt weggestuurd hebben ze daar nadrukkelijk geen mening over.

In chef de mission Jeroen Bijl, zelf ex-volleyballer, hebben de schaatsers een prima boegbeeld. Hij was bij de ploegpresentatie op Schiphol vooral bezig om ‘het verhaal Eurlings’ bij de ploeg weg te houden. Tegen Radio 1 zei hij: „Ik heb er geen last van, de sporters hebben er geen last van. Ze zijn er niet mee bezig.”

Er zaten er tussen die zelfs niet wisten waar het over ging. Het verbaasde me niets. Gesprekken met schaatsers zijn net zo voorspelbaar als de sport zelf is om naar te kijken. Er zijn maar twee smaken: ‘ja, het had harder gemoeten’, of: ‘het ging wel lekker, ja’.

Meer is het niet en meer kunnen zelfs de schaatsanalisten op televisie, ex-schaatsers als Erben Wennemars en Mark Tuitert, er niet van maken. Die doen overdreven enthousiast of zijn heel erg teleurgesteld en benadrukken vooral hoe hard er voor de prestatie is ‘gewerkt’.

Keihard.

Ik mocht ooit mee op trainingskamp met de ploeg van Jac Orie, een coach die eerlijk zei dat je voor schaatsen geen speciale aanleg hoeft te hebben. Je moest kunnen afzien en bereid zijn om heel veel te trainen. Zijn schaatsers lieten zich gewillig met gewichtjes om het middel in de hitte een Italiaanse berg opsturen.

Lekker afzien, verstand op nul en voor de rest bord voor de kop: schijt aan de wereld en in rondjes denken. Camiel Eurlings past goed in de groep.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen