Films kijken die niemand kent (in zaaltjes die ook niemand kent)

Underground cinema in Amsterdam

Wie van film houdt maar niets moet hebben van gelikte Hollywood-producties kan in Amsterdam zijn lol op. En dat bijna voor niets.

Bierbrouwerij Butcher’s Tears, een van de onbekende zaaltjes in Amsterdam waar de Underground Cinema-avondjes plaatsvinden. Olivier Middendorp

Op een doordeweekse avond zijn ruim veertig Amsterdammers samengekomen in een smalle achterkamer van stadsbrouwerij Butcher’s Tears. Ze nemen mondjesmaat plaats op houten biertafelbanken, die in rijen achter elkaar staan opgesteld in de richting van een witte muur. Niet zonder reden: een beamer, hangend aan het plafond, zal de muur voor een paar uur omtoveren tot bioscoopscherm.

Dan neemt de Amerikaanse filmfanaat Jeffrey Babcock (60) het woord, zoals hij altijd doet op de door hem georganiseerde underground filmavonden: „De film die we nu gaan zien, Arrebato, is een van de meest mysterieuze films ooit gemaakt, een magische ervaring”, zegt hij. „De film is zoals David Cronenberg, maar dan ver voor David Cronenberg.”

Al meer dan tien jaar vertoont Babcock – grijze baard, lange grijze haren, klein zwart brilletje – zo’n drie keer per week obscure en vergeten cultfilms op onconventionele locaties door heel Amsterdam. Bijvoorbeeld in brouwerij Butcher’s Tears, café De Nieuwe Anita, het gekraakte sociale centrum Joe’s Garage, of in de Vondelbunker, een bunker onder de brug in het Vondelpark.

Net zo ongebruikelijk als de locaties of het filmaanbod is het feit dat de bezoekers meestal niet of nauwelijks hoeven te betalen: „Het is of 3 euro, of gratis”, zegt Babcock. „De stad wordt zo ongelooflijk snel vercommercialiseerd, ik wil daar tegenwicht aan bieden.”

Vaste prik op de avond is het introductiepraatje, waarmee Babcock context geeft bij de te aanschouwen film. Tijdens het spreken houdt hij een velletje aantekeningen in zijn hand, maar wanneer hij op stoom komt – en bijvoeglijk naamwoorden als wild, crazy en outrageous om de haverklap vallen – spreekt hij met zijn ogen dicht het publiek toe.

Vanavond vertelt Babcock over de regisseur van Arrebato, die tijdens het maken van de film aan de heroïne zat, omdat de ervaring van heroïne een belangrijk onderdeel is van de film. Of over de losse werksfeer op de set, met acteurs die pas laat in de middag op de set arriveren, terwijl de filmploeg al uren klaar staat, en uit verveling maar wat shots maakt van de omgeving. Tot slot zegt hij iets dat hij op veel van de avonden zegt: „Dit is een film die je bijna nergens anders kunt zien.”

De filmavonden worden georganiseerd door de Amerikaanse filmfanaat Jeffrey Babcock. „Ik laat me niet zomaar de stad uitdrijven.”

Geheime mailinglijst

Zoals het een underground filmavond betaamt, is er geen Facebookpagina of website waarmee Babcock reclame maakt voor zijn avond. De enige manier waarop hij het programma van ‘Jeffrey’s Underground Cinema’ kenbaar maakt is via het versturen van een wekelijkse mail, gericht aan iedereen die staat ingeschreven op zijn mailinglijst.

Op dit moment staan er tussen de drie- en vierduizend mensen op de lijst. „Maar een deel daarvan woont allang niet meer in Amsterdam.” In het mailtje schrijft Babcock steevast een klein stukje tekst over de films die op het programma staan. „Laatst mailde iemand mij vanuit Shanghai om te zeggen dat hij nog steeds de berichten leest. Voor hem is het een soort van wekelijks magazine.”

Een kleine greep uit het recente aanbod: The Green Slime (1968, door Kinji Fukasaku, „Ultra groovy and insanely bad at the same time”), I was nineteen (1968, door Konrad Wolf, „Here we dive into East German cinema, which in the 50s and 60s was often actually better than the movies peddled in West Germany!”) en Ana and the Wolves (1973, Carlos Saura, „A strange little Spanish flick that has been rarely seen outside its home country”).

Verreweg de meeste films die Babcock laat zien, komen voort uit zijn eigen collectie, bestaande uit duizenden films. „Ik ben altijd op zoek naar nieuwe, zeldzame exemplaren, die ik importeer van over de hele wereld, vaak van kleine distributiebedrijven.” Ook leent hij soms een film uit andermans collectie, zoals van het Goethe-Institut aan de Herengracht. „In januari vertoon ik films uit hun archief, die zijn gemaakt in Oost-Duitsland ten tijde van de Koude Oorlog.”

En hoe kom je dan op die mailinglijst? „Ik hou er niet van om het e-mailadres te publiceren”, zegt Babcock, om er met een glimlach aan toe te voegen: „Ik zeg altijd, als je er echt om geeft, dan vind je het.” In de praktijk worden mensen vaak meegenomen door iemand die al weet heeft van de filmavond. Ben je eenmaal binnen, dan kun je Babcock vragen je op de lijst te zetten.

Foto Olivier Middendorp

Cultuuractivisme

Babcocks liefde voor film ontstond in zijn middelbare schooltijd in Madison, een stadje in het noorden van de Verenigde Staten. In de stad hingen allemaal posters van Europese en Japanse films, die werden vertoond door studenten in collegezalen. „Ik werd weggeblazen door wat ik daar zag. Exotische films, heel anders dan wat ik gewend was.”

Wat hij gewend was, was Hollywood. Daar regeerde het geld, met voorspelbare verhaallijnen tot gevolg. „Net zoals nu, was er nauwelijks ruimte voor experiment. In Europa was de cinema veel vrijer, films konden bijvoorbeeld gaan over poëzie of politiek.” Volgens Babcock is dit contrast tegenwoordig minder groot, omdat de Europese cinema sterk is beïnvloed door de Hollywoodindustrie.

Zo’n dertig jaar geleden streek Babcock neer in Amsterdam, nadat hij jarenlang had rondgereisd door heel Europa. Op de vraag of hij daar lang voor had gespaard, antwoordt Babcock onmiddellijk van niet. „Ik reisde zoals schrijver Jack Kerouac, On the Road-stijl. Je weet wel, liften van de ene plek naar de andere, slapen in parken.”

Geld was voor hem toen niet belangrijk, en is dat nu nog steeds niet. Om rond te komen voert hij hier en daar klusjes uit, zoals incidenteel een lezing geven aan de Rietveld Academie. Ook werkte hij eerder met regisseur Ian Kerkhof aan de film Kyodai Makes the Big Time (1992), beloond met een Gouden Kalf. „Maar de makkelijkste manier om geld te verdienen vind ik: weinig geld uitgeven.”

Wat wel belangrijk is, is cultuur. Babcock beschouwt zichzelf als cultuuractivist, met als strijdveld het behouden van een alternatieve filmcultuur in Amsterdam. En meer specifiek, het centrum van Amsterdam. Wat hoewel er tegenwoordig veel aantrekkelijke locaties beschikbaar zijn in Amsterdam-Noord, maakt Babcock daar bewust geen gebruik van: „Dat is wat de gemeente wil: de creatievelingen richting de buitenwijken drijven. Maar ook in het centrum moeten plekken zijn waar je gratis een film kan bezoeken. Ik laat me niet zomaar de stad uitdrijven.”

Intellectueel uitdagend

Wanneer Arrebato is afgelopen drinkt een deel van de bezoekers nog een biertje in het cafeetje van de brouwerij. Dan wordt zichtbaar dat de bezoekers een divers gezelschap vormen van jong en oud, gemixt in nationaliteit. „Een televisieproducent van de VPRO zit hier naast een punker uit Polen”, vertelt Babcock. „Daar ben ik erg blij om: mensen die normaal nooit samenkomen, komen hier bij elkaar, praten, en ervaren samen een film. Iedereen is voor even betrokken in dezelfde droom.”

Bezoekers zeggen dat ze de filmavond bezoeken omdat ze hier wat anders krijgen voorgeschoteld dan hetgeen ze kennen van de reguliere Amsterdamse filmhuizen. Zo zegt Judy Morrison (65), een Engelse vrouw die al dertig jaar in Amsterdam woont: „De films zijn niet zo toegankelijk als je gewend bent. Hier word je intellectueel uitgedaagd.”

Aan een tafeltje naast haar zit de student Samuel Witteveen (22), die zo’n twee keer per maand een bezoek brengt aan de avond. „Er wordt zo veel Amerikaanse troep geproduceerd. Wat ik hier heb geleerd, is dat alles mogelijk is in cinema. Het heeft mijn visie op film totaal veranderd.”

    • Kas Galstaun