Foto Frank Ruiter

‘Dooddoeners zijn een goed medicijn’

Lunchinterview Psychiater Menno Oosterhoff lijdt al 45 jaar aan een dwangstoornis. Hij wil alles verzamelen, opschrijven, beheersen. Hij kan er nu mee omgaan, zijn vrouw ook.

Menno Oosterhoff (62) zet koffie in zijn keuken in Thesinge, een dorp in Groningen. Al pratend spurt hij naar de studeerkamer, de zitkamer, de kelder, met mij in draf achter zich aan. Kijk, de muren. Heeft hij zelf betimmerd met sloophout. Hier, de lambrisering. Ook eigen werk. Haastig trekt hij een stapel boeken van een boekenplank. Zie, ook daarachter is de wand naadloos met hout ingelegd. Zoef, hij is alweer in de volgende ruimte. Trommelt op de eettafel. Gemaakt van talloze blokjes hout.

En al dat zagen, gok ik, heeft hem het topje van zijn wijsvinger gekost. Even staat hij stil en bekijkt zijn linkerhand belangstellend. „Klopt.” Dat moet voor iemand ‘zoals hij’ heel moeilijk zijn, veronderstel ik. Menno Oosterhoff weet alles van dwangstoornissen, als psychiater én patiënt. Officieel heet het obsessieve-compulsieve stoornis, of op z’n Engels afgekort: OCD. Hij lijdt aan volledigheidsdwang. „Ik streef naar een compleet overzicht van alles. Ik mag niks vergeten, ook niet wat ik vergeten ben.” Elke kans, mogelijkheid en optie moet benut. Zoals een ‘hoarder’ zijn huis volstouwt met (overbodige) spullen, zo lijdt hij aan mentale verzamelwoede.

Al 45 jaar houdt hij lijsten bij van alles wat er te koop is in de wereld, of van alle mensen die hij kent, of van alles wat hij nog ‘moet’ en wil. Een hobby blijft bij hem zelden leuk. Tuinieren? Bij hem is het meteen zestig uur per weekend en ’s nachts door mét bouwlamp. Tot een andere ‘passie’ hem roept. Astrofysica, oldtimers, grammofoonnaalden. Hij laat een zwart schriftje zien met daarin zijn recentste lijstjes. Hij moffelt het snel weg, en toont een wit schriftje, met voorop handgeschreven: ‘Dit wordt hem’. De voorlopig definitieve lijst van alles.

Dat vingerkootje heeft hij nog wel gezocht én gevonden in het zaagsel, zegt hij. „Maar het kon er niet meer aan.” Die onvolledige hand, daar kan hij prima mee leven. Wat hem kwelt, is als iets zomaar kwijtraakt. Twee, drie dagen geleden werd hij gebeld, maar hij nam niet op. Hij noteerde het nummer. Belde het later terug. Bleek het nummer niet te bestaan. „Verkeerd opgeschreven natuurlijk.” Een normaal mens denkt: als het belangrijk is, bellen ze wel weer. Maar hij kan niet stoppen met prakkiseren wie de beller toch geweest kan zijn. „Er klopt iets niet, er mist iets, er ontbreekt iets van wezensbelang. Dat gevoel knaagt tot in mijn merg.”

De koffie is klaar. Hij had mij op de bank gedacht, en zichzelf op de stoel ertegenover. De gordijnen zijn van rood velours, schapenvachten op de grond, de houtkachel knappert knus. Oosterhoff springt op om de goudblonde hond, die als een vloerkleedje op de grond ligt, de kamer uit te jagen. Schuifdeuren dicht. Weer zitten. „Hè, hè. Ik werd er onrustig van.” Nou ben ik geen psychiater natuurlijk, maar heeft hij niet gewoon adhd? „Nee, nee,” riposteert hij. „Ik doe misschien adhd, maar ik héb het niet, want ik kan me juist heel goed concentreren.”

Al jaren een terugkerend to do op zijn lijstjes: een boek schrijven over dwang. Dat is nu een klein half jaar uit. In Vals alarm, beschrijft hij praktijkgevallen van dwangstoornissen. Hit-and-run-OCD; de angst om iemand per ongeluk aan te rijden. Terugkerende weerzinwekkende voorstellingen of gedachten. De bekendste is ongetwijfeld smetvrees, ofwel schoonmaakdwang. Er is een gedachte: ik ben/word vies. De compulsie is: overmatig schrobben. Oosterhoff vergelijkt het met kriebel en krabben. Krabben helpt, eventjes. Maar als het tot bloedens toe gebeurt, wordt dat uiteindelijk de kwaal zelf.

Een onoverkomelijke kleinigheid

„Wat mensen met OCD gemeenschappelijk hebben is: onrust. Een kleinigheid wordt beleefd als onoverkomelijk. Een mug ervaren als olifant. Alsof er een alarm afgaat, ook al is er nergens brand.” OCD heeft raakvlakken met een verslaving; je bent afhankelijk van iets buiten jezelf om innerlijke onrust te herstellen. Met religie; je voert rituelen, bezweringen, herhalingen uit om onheil te voorkomen. Het heeft iets weg van een allergie; een overreactie op iets ongevaarlijks (huidschilfers, pollen, stof). Wanneer is iets een dwangstoornis? „Dat hangt af van de intensiteit. Als een terugkerende gedachte of voorstelling je welbevinden verstoort, spreek je van dwang.” Het is belangrijk, zegt hij, er een naam aan te geven. „Het helpt mensen te weten wat hen mankeert.”

Het boek noopte hem eerlijk te zijn over zijn obsessies en compulsies. „Ik realiseer me dat dwang mijn leven nog meer heeft beïnvloed dan ik dacht.” Hij heeft zijn eigen diagnose pas gesteld toen hij al lang en breed psychiater was. „Het openbaarde zich op mijn zeventiende. Ik ging schrijven. Dagboeken. Maar al gauw moest ik álles wat ik dacht, deed en voelde opschrijven en zodra er iets veranderde moest ik dat ook direct vastleggen. En wat als alles bij brand verloren zou gaan? Dus schreef ik alles over.”

Dat obsessieve schrijven begon toen zijn vader ongeneeslijk ziek bleek. Menno Oosterhoff is de jongste van acht kinderen. Hij wijst naar een portretje van een engelachtig meisje. „Een ouder zusje, ze overleed aan difterie.” Een kind werd doodgeboren, een volwassen broer overleed later aan kanker. Zijn moeder kwam de dood van haar echtgenoot niet te boven, de kledingwinkel die zijn ouders altijd samen dreven, werd verkocht. Hij deed drie dagen na zijn vaders dood eindexamen en vertrok naar Groningen om medicijnen te studeren. „Depressief, instabiel en al flink dwangmatig.”

Foto Frank Ruiter

Jaren is hij in therapie geweest. Praten over zijn vaders dood, het gereformeerde geloof, zijn verzwakte moeder. „Alles hebben we doorgewerkt, maar ik kreeg steeds meer het gevoel dat mijn dwang niet uitsluitend psychologisch te verklaren was.” Het kwartje viel toen hij als psychiater een jongen van 16 behandelde met precies dezelfde klachten als hij. Pathologisch verzamelen en vastleggen „Hij had geen dode vader, en niks met geloof.” Zijn vaders dood was hooguit een trigger, waardoor ontwaakte wat in zijn brein al sluimerde. „Er is in mijn familie een zekere gevoeligheid voor dwang.” Zijn moeder was er niet vrij van, haar broer onderging een lobotomie (een herseningreep) om zijn vergaande smetvrees te verhelpen. Zijn zus heeft agorafobie, pleinvrees. „Ze durfde soms niet meer van de bank naar het aanrecht. Nu woont ze begeleid.” Hij is, zegt hij, van dezelfde klei gekneed. Hierop volgt een uitweiding over het verborgen leed van psychiatrische patiënten, en daarna over euthanasie en de vrije wil. De wil om de dwang in bedwang te houden. Hij zegt: „We overschatten onze verstandelijke invloed op onze beleving.” En dan gaat hij abrupt de zijpaden af. Dit gesprek, verzucht hij, gaat álle kanten op.

Nachtenlange gesprekken

Hij vindt dat hij er, vergeleken met andere dwangpatiënten, nog genadig af komt. „Ik heb werk, drie kinderen, een vrouw.” Dineke, met wie hij al bijna dertig jaar is, schreef ook een hoofdstuk in het boek. Over hoe het is samen te leven met een dwangpatiënt. Ze beschrijft hoe bij hem elke passie omslaat in gekte, en gedrevenheid verwordt tot dwang. Nachtenlange gesprekken waarin álles moet worden uitgesproken. Tot zij besloot het praten tot een uur per week te beperken. Achteraf, denkt hij, was dat natuurlijk relatie-OCD. De obsessieve twijfel of je wel de juiste partner hebt.

Op haar aandringen is hij tien jaar geleden een antidepressivum gaan gebruiken. Daarmee is de allerergste paniek, de hypochondrie, de onrust verminderd. „Maar de keerzijde was dat ik ineens van alles weer durfde.” Hij wisselde van baan, ging het land in om voordrachten te houden, begon een website over dwang, ging erover bloggen. De komst van internet heeft hem weinig goed gedaan. De mogelijkheden om nog meer kennis (en spullen) binnen te harken zijn oneindig. „Ik voel me een alcoholist in een drankzaak.” Hij broedt nu op een vlog, een tweede boek, promoveren op dwang als vorm van fantoomangst. Sinds de publicatie van zijn boek melden zich elke week lotgenoten. Mensen die hij het liefst zelf wil helpen.

Bij normale mensen, zegt hij, zit vertrouwen ingebakken

Kan hij dat? „Gelukkig kan ik patiënten helpen vertrouwen te oefenen.” Bij normale mensen, zegt hij, zit vertrouwen ingebakken. „Die weten dat er slechts een kleine kans is op een grote ramp. En dat klein ongemak geen grote gevolgen heeft.” Tegelijkertijd lijkt het alsof dwangpatiënten het vermogen ontberen de werkelijkheid te vertekenen. „Er is één groot risico waarmee we allemaal leven, namelijk dat we dood gaan. Niet voortdurend stilstaan bij die absolute zekerheid, dát is een gezonde houding.” Dus wat zegt hij tegen zijn patiënten. „Laat maar komen die angsten, die afschuwelijke gedachten of obsessies. Denk je voortdurend dat je kanker hebt, aan seks met lijken, aan die verkeerd gesneden komkommer? Het zijn spoken. Lakens met lucht eronder. Laat die gedachten vervliegen, verdraag de onrust. Loslaten is het nieuwe houvast.”

Dooddoeners, zegt hij, zijn een goed medicijn. „Komt wel goed, maakt niet uit, het loopt zo’n vaart niet.” Helemaal weg gaat dwang nooit, maar ermee leren leven is haalbaar. De gedachte aan het verkeerde telefoonnummer die de afgelopen uren af en toe oppopte, kon hij wegdrukken. „Maar van dit gesprek word ik doodonrustig. Zoveel onderwerpen zijn er aangeraakt, maar niet afgerond. Het lukt me maar niet om te denken: ze bakt er wel wat van.”