De gele korstmossen rukken op, dank zij de mestlucht

Biologie

De luchtkwaliteit bepaalt welke korstmossen op boomstammen groeien. De gelige worden dominanter door heel Nederland. Het is een gevolg van de intensieve landbouw.

Groot dooiermos. In gebieden met veel intensieve landbouw groeit dit korstmos in grote plakkaten op de stammen van zomereiken. Foto Kok van Herk

Uitgestreken vlekken geel, in verschillende tinten. De stammen van de zomereiken zitten er vol mee, hier aan weerszijden van de Rijksweg bij Terschuur, in het midden van Nederland. „Het hele gebied tussen Ede en Nijkerk ziet er ongeveer zo uit”, zeggen Kok van Herk (61) en Laurens Sparrius (41) eensgezind. Ze zijn korstmossenexpert. Want dat zijn al die gele vlekken, korstmossen – een korstmos is een samenlevingsverband tussen een schimmel en een alg. Van Herk en Sparrius weten precies welke soorten hier de stammen bezetten. Het zijn veelal ammoniakminnaars, soorten die gedijen bij hogere concentraties ammoniak in de lucht. Een dominant voorbeeld is Groot dooiermos. „Dat is negentig procent van het geel dat je hier ziet”, zegt Van Herk.

Bron van ammoniak

Het is de invloed van de intensieve landbouw, met name de veehouderij, zeggen ze. Want dat is veruit de belangrijkste bron van ammoniak. Het komt vrij uit stallen, bij het uitrijden van dierlijke mest, beweiding en bij het gebruik van kunstmest. Hier aan de Rijksweg liggen links en rechts maïsvelden. „Verderop beginnen de boerderijen”, zegt Sparrius.

Maar niet alleen hier bepaalt ammoniak de korstmossenbegroeiing op bomen, zegt Sparrius. Dat is in steeds grotere delen van Nederland zo. „En soorten die gevoelig zijn voor ammoniak, zoals de baardmossen, dreigen te verdwijnen.” Van Herk knikt. „Zelfs op de Waddeneilanden.”

Van Herk heeft hierover pas nog een bezorgde voordracht gegeven bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het instituut meet zelf sinds midden jaren 80 de concentratie ammoniak in de lucht. Tussen 1993 en 2004 nam die concentratie flink (met ruim eenderde) af, maar tussen 2005 en 2014 nam ze weer stevig (met eenvijfde) toe, zo beschreven onderzoekers van het RIVM begin dit jaar in het tijdschrift Atmospheric Environment.

Bleek baardmos
Foto Kok van Herk
Gewoon schorsmos
Foto Kok van Herk
Kopjes-bekermos
Foto Kok van Herk
Eikenmos
Foto Kok van Herk
Gewoon poederkorst
Foto Kok van Herk

Afspiegeling van de luchtkwaliteit

Korstmossen halen hun voedingsstoffen uit regendruppels of stof in de lucht. Ze reageren snel op veranderingen in die lucht. Daarom worden ze gezien als belangrijke indicatoren: de soortensamenstelling is een afspiegeling van de luchtkwaliteit. En die is ingrijpend veranderd in de afgelopen 40 jaar.

Tot de jaren 80 was de lucht zwaar vervuild met zwaveldioxide, met name door kolenverbranding en industriële activiteit in en om steden. Zwavelminnende soorten, zoals de Zwavelvreter, gedijden. Maar in grote delen van zuidelijk, oostelijk en westelijk Nederland was de concentratie zwaveldioxide in stedelijk gebied zo hoog, dat het korstmossen vergiftigde. Er groeide niks. De stammen van bomen waren nagenoeg kaal. De korstmossendeskundige (lichenoloog) Jan Barkman beschreef de gebieden midden vorige eeuw als epifytenwoestijnen – epifyten zijn boombewonende korstmossen.

Doordat Nederlandse huishoudens vanaf eind jaren 60 overstapten op aardgas, en de zware industrie later zijn rookgassen ook verplicht moest gaan ontzwavelen, daalde de zwavelvervuiling en is het korstmossenbeeld spectaculair veranderd, zegt Van Herk. „In positieve zin.” Soorten als Groot schildmos en Bosschildmos waren zeldzaam geworden, maar zijn terug uit een diep dal. „Juist in het stedelijk gebied hebben we dat gezien.” Van Herk weet het als geen ander. Sinds 1979 inventariseert hij, meestal in opdracht van provincies, welke soorten korstmossen er groeien. Per provincie heeft hij 200 tot 900 meetpunten, en elk meetpunt telt tien zomereiken. „Meestal een rijtje langs een weg”, zegt hij. Vorig jaar heeft hij Drenthe weer geïnventariseert, het jaar daarvoor Overijssel.

De zomereik in zijn tuin

Ter illustratie benoemt Van Herk eerder die dag bij de zomereik in zijn eigen tuin, in Soest, enthousiast alle groene, gele, grijze vlekken, blaadjes, takjes, struikjes op de stam. Hij wijst een langgerekte geelgrijze vlek aan. „Ammoniakschotelkorst. Deze soort heeft de wind de laatste 30 jaar mee”, vertelt hij. Het is niet alleen een ammoniakminnaar, maar hij gedijt ook beter in warmere milieus. Want dat is nog een verandering van de laatste decennia: het klimaat warmt op. In steden sterker dan op het platteland, door het hitte-eiland-effect – dichtbevolkte steden genereren meer warmte, en houden die langer vast dan het platteland.

Sparrius wijst een grijzige vlek met bladachtige uiteinden aan. Groen boomschildmos, zegt hij. „Die dook rond 2000 opeens in Nederland op.” De dichtstbijzijnde groeiplaatsen waar deze soort voorheen werd gevonden lagen in Frankrijk. Zo gaat het door: Vals dooiermos, Melig takmos. Sparrius geeft zijn loep, die 10 keer vergroot. „Zie je die kleine zwarte puntjes? Dat is Vliegenstrontjesmos.”

Heksenvingermos
Foto Kok van Herk
Klein dooiermos
Foto Kok van Herk
Poedergeelkorst
Foto Kok van Herk
Rond schaduwmos
Foto Kok van Herk

Ook in stedelijk gebied zijn de ammoniakminnaars in opkomst, blijkt uit Van Herks analyse voor Drenthe en Overijssel. Gemiddeld vindt hij per boom per meetpunt nu 5,5 verschillende soorten ammoniakminnaars. In 1989 waren dat er nog 3. In natuurgebieden ging het van gemiddeld 1 naar 2 soorten. Op het platteland steeg het aantal eerst van 4 in 1989 tot 6 in 1999, maar daarna is het weer gezakt naar 4. „Het is het effect van ammoniakbeperkende maatregelen, zoals mestinjectie op het land”, zegt Van Herk.

Rare trends

Juist daarom vinden ze de trends in stedelijk gebied en in natuur zo raar. Waarom nemen de ammoniakminnaars daar juist toe, ondanks alle maatregelen? Van Herk en Sparrius hebben geen onderbouwde verklaring. Misschien breidt de veestapel, en het mestprobleem, zich richting stad en natuur uit? Misschien heeft het met de uitstoot van het verkeer te maken? Dat moet onderzocht.

Intussen maken ze zich zorgen over het signaal dat korstmossen afgeven. De opkomst van ammoniakminnaars in de natuur duidt op een toename van stikstof. Terwijl veel natuurlijke vegetatie in Nederland gevoelig is voor een overmaat aan stikstof. Het zou een verdere afname van de soortenrijkdom kunnen betekenen. Terwijl voor de 160 beschermde Natura2000-gebieden in ons land juist is vastgelegd dat de soortenrijkdom er niet verder mag afnemen. Van Herk: „Groot boerenkoolmos vond je vroeger overal in bossen. Maar ik vrees dat-ie over een jaar of 10 verdwenen is.”