Column

Sprinkhanen

Ellen

‘Jeetje”, zegt mijn zus, „er zijn in 2018 al een miljoen mensen geboren. En het is nog maar 3 januari!” Op haar laptop staat de zogenaamde World Population Clock: een teller die wereldwijd de bevolkingsgroei bijhoudt. Omdat er dagelijks zowel honderdduizenden sterven als bijkomen, knippert de teller onophoudelijk: het aantal wordt telkens bijgesteld. Het is alsof je naar het downloaden van een enorm bestand kijkt. Daarnaast wordt er op een aparte meter bijgehouden hoeveel mensen er per seconde doodgaan. Dat laatste geeft kippenvel: het getal flitst als een mitrailleur. Het aantal sterfgevallen wordt echter ruimschoots gecompenseerd door het aantal geboortes.

„Maar dat is toch leuk, dat er zoveel mensen zijn bijgekomen dit jaar”, zegt mijn neefje (10) opgewekt, die al-tijd de kant van de kinderen kiest. Zijn broer (12) onderbreekt hem woedend.

„Dat is helemaal niet leuk! Meer mensen is meer vervuiling! Meer hebzucht! Meer oorlog!!” Hij kijkt angstig naar de teller, waar alweer duizend mensen bij gekomen zijn.

„Stop!” roept hij tegen het beeldscherm, „Houd daarmee op! Kap met al dat geseks! Doe een condoom om!”

„We lijken wel een plaag”, zegt de jongste. Mijn zus knikt. Ik moet bij plaag altijd denken aan die sprinkhanenplaag uit de Bijbel. Alleen is de mens nu de sprinkhaan voor de sprinkhanen geworden.

Die avond spookt de teller nog steeds door mijn hoofd. Vanaf de Industriële Revolutie nam de wereldbevolking enorm toe. We geloofden in de maakbaarheid van ons bestaan: voor elk probleem, van honger tot natuurgeweld, was wel een technologische oplossing. We dachten onze leefwereld te controleren, maar wij zijn met zijn allen een omgekeerde koning Midas geworden. In plaats van goud verandert alles wat we aanraken in lood. In giftig materiaal.

Mijn telefoon gaat: mijn zus. Ook zij kan niet slapen.

„Ik heb nog wat artikelen over demografie gelezen”, zegt ze. „Het schijnt dat de bevolkingsgroei vanaf de jaren zestig alweer vaart mindert, maar dat we tegen 2100 waarschijnlijk toch met twaalf miljard mensen zitten. Gelukkig betekent meer mensen meer vervuiling.”

„Gelukkig?”

„Meer vervuiling zorgt ervoor dat we langzamerhand worden vergiftigd: door de lucht, het water, door ons voedsel. Het schijnt dat het sperma van de doorsnee man de afgelopen jaren daardoor al flink aan slagkracht heeft ingeboet. Zo lost het probleem zichzelf op. Hoe harder we ons voortplanten, hoe sneller we uitsterven”, grinnikt ze. „Weliswaar vernietigen we onderweg nog wat ecosystemen, maar fuck it, de verdwijning van de mens mag wat kosten.”

We hangen op. Ik durf niet te berekenen hoeveel mensen er tijdens ons gesprek zijn bijgekomen. Ik denk er maar niet aan hoeveel er deze nacht bij zullen komen. Ik val in slaap en droom van sprinkhanen, die langzaam oplossen in de verte.

schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen