Kamperen zonder nummertjes, toiletblokken en regels

In Oman ligt driehonderdduizend vierkante kilometer wild kampeerterrein, zonder nummertjes, toilet-blokken en regels. Je waant je er een ontdekkingsreiziger.

Kamperen in Wadi Sumayni, Oman, bij een acaciaboom. Foto Shutterstock

‘Het is zo lekker over de top hè”, zegt de Hollandse mevrouw in de vliegtuigstoel naast me over Dubai, waar we voor een appel en een ei heen vliegen. Ze komt er graag. Het hoogste gebouw, het grootste aquarium, skieën op kunstsneeuw verstopt in een hal in de grootste shoppingmall ter wereld, overal airco, nachtenlang uitgaan.

Na vierentwintig uur Dubai stappen mijn Britse reisgezel en ik toch maar in de bus naar Muscat, hoofdstad van buurland Oman. Zes uur verder stappen we uit de bus in een witte stad verspreid tussen okeren rotsen. Het immense land erachter – drieduizend kilometer kustlijn, steile bergen, verder veel leegs – lonkt. In mijn tas het boek Arabian Sands, waarin de hoekige Brit Wilfred Thesiger zich door een bende bedoeïenen door Zuid-Arabië laat escorteren.

We huren een SUV, foerageren in hypermarkt Lulu en verlaten de stad. Oman doorkruisen, per auto, tent, matje en slaapzak, dat is het plan. Hotels zijn in Oman dungezaaid en als ze er toch zijn hebben ze te veel sterren of staan ze op de verkeerde plek. Sowieso is er weinig mooier dan kamperen in het wild, zonder kavelnummers en toiletblokken. Poepen achter een heuveltje in de woestijn, dat is pas fijn.

Kort voor vertrek spreek ik nog een gepensioneerde achteroom, in de jaren zestig als geoloog voor Shell op exploratie in Oman. „Een karavaan kamelen, ik op mijn ezeltje.” De olie werd gevonden en Oman stapte de toekomst in. Alle Omani’s kregen overheidsbaantjes om hun nieuwe huis met airco en hun 4WD te betalen. Er kwam asfalt en er kwamen miljoenen Indiërs en Bengalen, overgevlogen van de overkant van de Golf, om het land draaiende houden.

Het ging hard met Oman, maar de olie is bijna op

Het is hard gegaan met Oman, maar nu is de olie bijna op. Dure buitenlandse consultants verzinnen nieuwe inkomstenbronnen. In Duqm – zes uur rijden door schijnbaar niets, maar schijn bedriegt weet ik uit Arabian Sands – rijden we langs een nieuwe containerhaven, omgeven door uitgestrekte vrijhandelszones. Duqm, zeggen de consultants, moet Dubai uit de markt prijzen en Oman van vervangende inkomsten voorzien.

Moessonwinden

In de schemering slaan we het asfalt af een wasbordweg in. Onze SUV rammelt vervaarlijk, maar brengt ons tot Ras Bintawt, oostkaap aan de Arabische zee. In maanlicht en zwoele zeebries slaan we kamp op een hoge duin en bekijk ik een eerder gedownloade documentaire – research maakt reizen zoveel leuker – over VOC-koopvaardijschip Amstelveen, dat Oman in 1763 Javaans suiker komt brengen, maar vergaat in de verraderlijke moessonwinden voor deze kust.

’s Ochtends blijkt ons strand vol heldhaftige krabben en exotische wadvogels, maar verder eindeloos en leeg. Het oceaanwater is aangenaam en de oceaanwind waait ons in seconden droog. We slenteren uren langs de branding, turen langs opvliegende flamingo’s richting Sri Lanka. Ik denk aan het handjevol schipbreukelingen dat hier aan land kroop en pas na drie marsweken de bewoonde wereld wist te bereiken.

Foto Shutterstock

We cruisecontrollen verder over lege, spiksplinternieuwe wegen, door adembenemend landschap, waar je overal je tentje mag neerzetten. De weg doorklieft rode rotsen, links ervan de mistige oceaan. Het heet hier niet langer Oman, leren we van een vriendelijke man die ons in het slaperige vissersstadje Hasik uitlegt hoe het zit, als we samen een fishbiryani eten. „Dit is Dhofar, en wij heten Mahri. Nee, geen Arabieren.”

We pikken een Bengaalse lifter op die zijn broer met gebroken been – bouwongeluk – eten moet brengen in het ziekenhuis. Want ook toerisme brengt dollars op, zeggen de consultants tegen Oman. Dus metselen Bengaalse bouwvakkers vijfsterrenkamers voor de vermogende buren uit Saoedi-Arabië en de Golfstaten, die ’s zomers graag verkoeling zoeken in Oman. Aan de avontuurlijke Europeaan die zijn spartaanse roadtrip wel eens wil afwisselen met een bed en een lekkere cocktail wordt niet gedacht.

Pareltjes

„Alles moet hier met vijf sterren”, zegt Darren Michael, die in Muscat fotografie doceert en in zijn vrije tijd zijn weblog Beyond the Route vult met onontdekte Omaanse pareltjes. Die liggen niet in de resorts, maar ver daarvandaan. Darren voedt ons per whatsapp (Oman staat vol met 4g-torens langs het asfalt) met coördinaten van de prachtigste kampeerplekken. Vannacht is dat de Wadi Shuwaymiyya, die we opnieuw pas in het duister bereiken. Het is januari, de nacht valt te vroeg.

’s Ochtends blijkt ons tentje te staan in een geometrisch landschap, vormgegeven door goden die er daarna dromedarissen in hebben losgelaten. Ik struin wat in de omgeving en stuit al dagdromend op een poeltje water onder een palmboom. Als ik het voorzichtig proef schiet een citaat uit Thesigers boek Arabian Sands langs. „The water tasted disgusting, but we had nothing else.”

In de zuidelijke hoofdstad Salalah ruilen we onze SUV – een vergissing, die rammelt kapot als je offroad gaat – in voor een echte 4X4, drinken een kokosnoot en slaan net voor de grens met Jemen linksaf een ruraal bergweggetje in; vriendelijke boerenhoeven tussen groene boomkruinen zo breed dat ze als wolken boven het landschap hangen. Elegant schonkige koeien wandelen in keurige rijtjes langs het asfalt, dromedarissen er middenop. ‘Huunh’, grommen ze laag en chagrijnig, wanneer je ze voorzichtig inhaalt.

We bewonderen bottle trees in bloei en diep beneden ons de oceaan, voordat de weg omlaag kringelt naar Rakhyut; slaperig dorpje, bootjes, rij palmen langs een oogverblindend strand. Ik fotografeer de sloop van monumentale vissershuisjes met driesteensdikke muren en stuit op Khalid, die me blijmoedig vertelt dat hij in zo’n huisje geboren werd. „Very good. When hot: cold, when cold: hot!” Nu woont hij verderop in een huis met airco.

Bij de bronnen van Ayoun zetten we ons tentje op tussen de rotsen. Ik pak het boek Arabian Sands er nog eens bij en lees hoe Thesiger de omgeving beschrijft waarin ik nu zit: rotsige bergen, bespikkeld met wierookbomen die Dhofar eeuwen geleden enorme rijkdom schonken. Ik vind de wierrookbomen en hoor in de verte vosjes blaffen. Niet de luipaarden die Thesiger beschrijft, evengoed fauna. Het is hier koud en we stoken een vuurtje, ook goed tegen wilde dieren.

Zoek je een kampeeravontuur, maar is Oman net iets te ver weg voor je? Zo kampeer je in het wild.

Terug naar Muscat rijden we dwars door Oman, achthonderd hypnotiserende kilometers lang over een kaarsrechte weg. Rechts bouwen kleine legers Indiase arbeiders aan een nog nieuwere weg, links loopt de vorige weg en ik bedenk dat ik de Sultan van Oman en zijn consultants moet schrijven dat je daar een prachtig fietspad van kan maken.

Halverwege slaan we ons tentje op, aan de voet van gigantische zandduinen, ver van het asfalt. Erachter lonkt het Lege Kwartier en opnieuw hoor ik Thesiger: „Desert wind. This, they said, is the best; it has no taste.”