Opinie

    • Georgina Verbaan

Parijs

‘Parijs! We gaan naar Parijs!” Mijn baret had de bestemming weggegeven, hoewel ik dat ding al de hele winter draag. Wonderlijk. Ik had Die Korte van tevoren niet gezegd waar we heen zouden gaan en wanneer, omdat ze anders geen oog dicht zou doen. Kinderen voelen feilloos aan wanneer je uit wil slapen, dan staan ze een paar uur eerder dan normaal met frisse zin en een tapnummer in de benen naast je bed. Maar als je ze wil verplaatsen, naar school bijvoorbeeld of naar een internationale trein, dan moet je die types uit het matras bikken.

De ochtend van vertrek trof ik haar in gefossiliseerde staat onder een laag knuffels en blonde krullen aan. Water doet echter wonderen, dus een uurtje later zat ze naast me uit te deuken in de Thalys. Ik speurde het gangpad af op zoek naar iemand met koffie of een terrorist. Ik ben in internationale treinen altijd veel te veel met koffie, terrorisme en dodelijke ongelukken bezig. In de weken ervoor ook al. Heb ik ook met vliegen. Wekenlang zie ik het toestel in tweeën rijten, alle stoelen met passagiers en al het luchtruim in gezogen worden, of simpeler scenario’s zoals neerstorten, het wegvallen van de luchtdruk, mannen met messen, of nek, rug en ribben breken tijdens een luchtzak omdat de dikke passagier voor je zijn gordel niet omhad.

Ik heb dat overigens ook in binnenlandse treinen, trams, bussen, winkelstraten, op bruggen, voetpaden, in supermarkten etc. En ik heb dat al jaren. Vroeger kwam ik de deur bijna niet uit. Nu ik een dochter heb moet ik wel, maar er is ineens ook echt iets te verliezen. Toch reizen we met z’n tweeën naar Indonesië, Spanje of zoals nu naar Frankrijk. Ik wil namelijk niet zo zijn. Ik ga wel altijd met een vluchtrugzak aan mijn schouders gegespt en een door adrenaline gestuurde 360 graden overzichtsradius en een bovennatuurlijk seismische gevoeligheid op pad, dat wel. Aardbevingen, tsunami’s, bommen; het kan allemaal elk moment gebeuren. Ben kapot als ik terug van vakantie ben. Maar ik gá wel.

Tussen de gezinnen met kinderwagens zag ik ze weer. De soldaten en hun mitrailleurs

In de trein dwing ik mijzelf me op haar te richten. Hoe Die Korte haar gezichtje vol met stickers heeft geplakt, hoe geconcentreerd ze een boek leest met haar pinguïn Guusje op schoot. Toen er types van de douane door de trein liepen, speurend, zonder dat er een lachje vanaf kon, met een hand op hun geweer, heb ik ze geregistreerd en ben ijzerenheinig doorgegaan met ons spelletje kwartet. Voel ik me veiliger door die types? Nou, nee. Allerminst. In Parijs op het station, in de rijen voor musea, onder de Eiffeltoren, en lopend over bruggen negeerde ik de soldaten met mitrailleurs. „Mooi hè? Och, kijk die lampjes. Zie je dat bootje?” Parijs ging goed.

We reisden door naar Disneyland, de echte verrassing. Extatisch renden we het park in, langs de mannen met de mitrailleurs. In het park huilden we een beetje bij de aanblik van het kasteel en de gigantische kerstboom, aten we snoep in lange rijen en dansten we met de eend met de dikke kont. Negen uur later renden we het park weer uit op verse blaren, nog immer uitgelaten. Wachtend op een shuttlebus naar ons kindvriendelijke hotel tussen gezinnen met kinderwagens en rijen volwassenen met Mickey Mouse-oren op, zag ik ze weer. De soldaten en hun mitrailleurs. Met zijn achten liepen ze in formatie tussen de mensen door, de geweren gericht op iets dat ieder moment ergens vandaan komen kon. De mensen registreerden ze, stapten voor ze opzij, trokken hun kinderen naar zich toe en deden zo goed mogelijk alsof er niets aan de hand was.

    • Georgina Verbaan