Te koud om te wandelen? Zeker niet

Ga lekker naar Twente en bekijk sporen uit de ijstijd. Je wordt weer warm door het beklimmen van de Tankenberg.

De koepel op de Tankenberg. Foto Wikipedia

Bij elke voetstap klinkt een zacht geknerp: het gras is bedekt met een dun laagje rijp. De koude lucht heeft de ochtenddauw bevroren tot piepkleine ijskristallen, en geeft het groen een witte waas. Diep ademhalen nu: in geen enkel ander jaargetijde ruikt het buiten zo fris. Vrieskou met af en toe een vleugje gier.

Maar vorst of geen vorst, in Twente is het altijd een beetje winter. Imposante hoeveelheden ijs hebben hier blijvende sporen nagelaten. In de Saale-ijstijd, pakweg tussen de 240.000 jaar en 125.000 jaar geleden, lagen in Overijssel gletsjers van honderden meters dik. Door het gewicht van de ijstongen werd de onderliggende bodem naar voren en opzij geduwd. Zo ontstond rondom het uiteinde van elke ijslob een stuwwal: een heuvelrug die qua vorm wel iets wegheeft van een croissantje. Ook ten oosten van Oldenzaal bevindt zich een stuwwal, die zich uitstrekt tot aan Enschede.

Doe de NRC-winterwandeling met audiotour en leer welk mythisch wezen er op de Tankenberg te horen is

Dat voel je als wandelaar in je kuiten: al snel buiten de stad gaat het gestaag heuvelop. Het reliëf oogt on-Nederlands. Rook kringelt op uit de schoorsteen van een eeuwenoude boerderij, buiten scharrelt een boerin op klompen. Haar erf is begrensd door metershoge stenen: zwerfkeien die, met de gletsjers, tijdens de Saale-ijstijd vanuit Scandinavië onze kant uitkwamen. Groot en hoekig zijn ze – soms gaat het om keien van enkele meters groot en tienduizenden kilo’s zwaar. Veel van die keien zijn later gebruikt door hunebedbouwers.

Gletsjerkrassen op het boerenerf

De stenen op het boerenerf blinken in de winterzon: het zijn keien van graniet, vol glimmende mineralen en helderwit kwarts. Afhankelijk van hun plek in het ijspakket hebben ze verschillende vormen. Stenen die op of in het ijs werden vervoerd zijn vaak hoekig en regelmatig van vorm, omdat ze werden beschermd tegen erosie. De stenen die over de bodem schraapten tijdens het transport, zijn aan de onderzijde vaak vlakgeschuurd. Soms kun je lange, parallelle groeven zien: de gletsjerkrassen, die ontstonden door scherpe steentjes in de ondergrond.

In de warme stal loeien de koeien, buiten op het erf blazen we wolkjes van de kou. Gauw verder weer, om bevroren ledematen te voorkomen. De kale eikenbomen werpen schaduwen op het pad, hun takken vormen kronkelige silhouetten. In de blauwe lucht cirkelt een buizerd, op de grond scharrelt een merel tussen de droge bladeren. Even verderop, rondom het dorp De Lutte, grazen koeien. In de Weichsel-ijstijd, pakweg tussen de 116.000 en 12.000 jaar geleden, liepen hier veel grotere dieren rond: wolharige mammoeten. De onderdeurtjes onder de mammoeten, al hadden ze een gemiddelde schouderhoogte van bijna drie meter. In de Middeleeuwen dachten mensen bij het opgraven van mammoetbotten dat het overblijfselen waren van reusachtige dieren die onder de grond leefden – een soort gigantische mollen, die doodgingen zodra ze in de zon kwamen. Wat dat laatste betreft hadden onze voorouders ten dele gelijk: het was de opwarming die de mammoeten de das omdeed.

Tegenwoordig is Twente een mozaïek van glooiende velden, boerenerven en houtwallen, maar in de Weichsel-ijstijd was het hier een kale bedoening: het landschap was veranderd in een kale, dorre poolwoestijn. Er lagen geen gletsjers, maar de ondergrond was wel het hele jaar door bevroren. Toen die permafrostbodem aan het einde van de ijstijd begon te ontdooien, werd het voor de mammoeten met hun logge lijven steeds zwaarder om rond te trekken en naar voedsel te zoeken. Ze stierven uit.

Nog altijd zijn hier in de omgeving sporen van de Weichsel-ijstijd te vinden. De zandbodems rond De Lutte zijn destijds ontstaan: de wind had vrij spel, en verspreidde dikke zanddekens over het land. De dekzandoevers van de Dinkel, die iets ten oosten van de route stroomt, zijn tien jaar geleden zelfs benoemd tot aardkundig monument.

In de zomer liggen langs die Dinkel mensen te zonnen; nu kleurt de kou onze wangen rood. De andere lichaamsdelen zitten goed ingepakt – in deze maanden vormen wanten, sjaal en muts een onmisbaar onderdeel van het wandeluniform. Warme sokken en waterdichte schoenen eveneens: wie op gympen over de soms drassige paden wandelt krijgt geheid bevroren tenen. Er is maar één remedie om weer warm te worden: een steile klim.

De Overijsselse berg op

Op naar de Tankenberg dus, het letterlijke hoogtepunt van de tocht. Zo’n 85 meter boven NAP, en daarmee is dit deel van de stuwwal direct het hoogste punt van Overijssel. Langs deze route passeerden vroeger ossenkarren, volgeladen met zandsteen. De stenen waren afkomstig uit Bad Bentheim, en bedoeld voor de bouw van de basiliek van Oldenzaal. Ook wij volgen die route, zonder zware vracht, maar eveneens moe van de tocht. Gelukkig wacht in Oldenzaal een warm onthaal met chocolademelk en hoorngeschal: vanaf begin december tot en met Driekoningen blazen de Tukkers hier hun wangen bol op meterslange houten midwinterhoorns. Van oudsher is de traditie van het midwinterhoornblazen bedoeld om boze geesten te verjagen, al kwamen de instrumenten ook op andere manieren van pas: smokkelaars bliezen erop om elkaar het sein ‘veilig’ te geven.

Boven de lage tonen van de midwinterhoorn klinkt plotseling een hoog, snerpend geluid: het fluitje van de conducteur. Tijd om de ijstijd te verruilen voor wat reistijd richting huis.

    • Gemma Venhuizen