Recensie

Het begin van de Atlantische Revolutie

Jonathan Israel De Founding Fathers van de VS waren verdeeld in aanhangers van de radicale en de gematigde Verlichting.

De ondertekening van de Declaration of Independence in 1776, geschilderd door Jean Leon Gerome Ferris. Van links naar rechts: Benjamin Franklin, John Adams en Thomas Jefferson.

Op 4 juli 1826 vierden de Verenigde Staten dat exact een halve eeuw eerder in Philadelphia de Declaration of Independence was aangenomen door het gezamenlijke congres van de dertien Britse koloniën in Noord-Amerika. Alsof een hogere macht zich ermee bemoeide, blies op dezelfde dag zowel John Adams als Thomas Jefferson de laatste adem uit. Naast onder anderen George Washington en Benjamin Franklin behoorden zij tot de belangrijkste Founding Fathers van de VS.

Het was Adams geweest die het voorbereidende comité had overgehaald om Jefferson de ontwerptekst te laten schrijven. Adams zou in 1797 de tweede president van de VS worden, en vier jaar later zou hij na een verpletterende verkiezingsnederlaag worden opgevolgd door Jefferson. De mannen waren lang bittere rivalen, maar zouden later uitgebreid en hartelijk met elkaar corresponderen.

Tegenwoordig worden in de VS alle Founding Fathers tamelijk kritiekloos bewonderd, alsof de hele Amerikaanse Revolutie aan het eind van de achttiende eeuw een zeer eensgezinde onderneming was. In zijn nieuwe boek The Expanding Blaze wijst Jonathan Israel (1946) er terecht op dat de werkelijkheid heel wat minder harmonieus was. Terwijl sommige Amerikaanse revolutionairen felle pleitbezorgers waren van een democratisch republicanisme, met gelijke rechten voor alle burgers en een stringente scheiding van kerk en staat, waren anderen veel conservatiever en zagen zij meer in een republiek waarin de dienst werd uitgemaakt door een elite van vermogende grondbezitters – dus door een officieuze aristocratie. Volgens Israel behoorden Jefferson en Franklin tot de eerste groep, terwijl Adams en Alexander Hamilton deel uitmaakten van de tweede stroming.

Franse Revolutie

Lezers van Israels trilogie over de Verlichting en zijn boek over de Franse Revolutie zullen niet opkijken van een dergelijke tweedeling, en evenmin van het feit dat de auteur duidelijk blijk geeft van zijn sympathie voor de meest radicale groep. Israel maakt immers een keihard onderscheid tussen de Radicale Verlichting – waaraan we alle zogenoemde ‘kernwaarden van de moderniteit’ te danken hebben – en de Gematigde Verlichting, die weliswaar modern leek, maar niet ondubbelzinnig brak met de geopenbaarde godsdienst en bovendien uit was op handhaving van de politieke en maatschappelijke status quo.

Veel historici zijn van mening dat dit onderscheid veel te rigide is, en dat Israel zich blindstaart op filosofische teksten, terwijl de Verlichting veel meer een algehele omslag was in de cultuur en de wijze waarop mensen naar zichzelf keken.

Israel heeft volkomen gelijk dat er in de achttiende eeuw wel degelijk sprake was van een radicale ideeënstrijd aan beide zijden van de Atlantische Oceaan

Volgens Israel is de Radicale Verlichting begonnen met Spinoza, die met zijn monisme (eenheid van geest en materie) een filosofische revolutie ontketende en de basis legde voor een volstrekt rationalistisch en materialistisch denken, dat noodzakelijkerwijs resulteerde in een strijd voor de vrijheid van gedachte en meningsuiting, democratie, tolerantie, seksuele en raciale gelijkheid en het idee van de rechtsstaat. Aanvankelijk leidden deze ideeën een min of meer ondergronds bestaan en waren het vertegenwoordigers van de Gematigde Verlichting die de toon aangaven.

In de loop van de achttiende eeuw werkten volgens Israel de ideeën van de Radicale Verlichting niettemin door in een relatieve kleine kring van radicale intellectuelen. Uiteindelijk zouden deze radicale denkbeelden de Franse Revolutie veroorzaken – zoals Israel betoogde in Revolutionary Ideas (2014), dat onlangs bij uitgeverij Van Wijnen in vertaling is verschenen – maar bereikten ze ook de Nieuwe Wereld. Sterker nog, de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd was een revolutie die sterk beïnvloed was door deze ideeën en ging zelfs vooraf aan de Franse Revolutie.

Het idee van de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd als eerste bedrijf van een ‘Atlantische Revolutie’ werd al uitgedragen door de Amerikaanse historicus R.R. Palmer, in diens tweedelige The Age of the Democratic Revolution (1959-1964). En het belang van de Verlichting voor de Amerikaanse Revolutie werd al in de jaren zeventig benadrukt door Henry May. In Amerika heeft deze visie echter nooit echt opgang gemaakt, en benadrukken historici over het algemeen dat het primair ging om een onafhankelijkheidsstrijd, waarin vooral praktische en verstandige ideeën boven kwamen drijven en men zich niet, zoals in Frankrijk, het hoofd op hol liet brengen door abstracte hersenspinsels.

Israel heeft volkomen gelijk dat dit een kortzichtig beeld is, en dat er in de achttiende eeuw wel degelijk sprake was van een radicale ideeënstrijd aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. Ook laat hij duidelijk zien dat die ideeën wel uit Europa kwamen, maar dat de Amerikaanse Revolutie op haar beurt weer een inspiratiebron vormde voor radicalen in Europa (en Zuid-Amerika). Bovendien beschrijft hij hoe die wisselwerking voortduurde tot de Europese revoluties van 1848.

Hij beschrijft dit alles gedetailleerd, met een overvloed aan documentatie en gebaseerd op een duizelingwekkende eruditie. Dat zijn verhaal toch vaak wringt, wordt veroorzaakt door zijn rigide scheiding tussen de ‘democratische’ en ‘aristocratische’ Founding Fathers, die hij bovendien probeert te laten samenvallen met de in zijn ogen onoverbrugbare kloof tussen de Radicale en de Gematigde Verlichting. Het meest voelbaar wordt deze frictie, waar hij iets moet zeggen over de slavernij. De radicale democraat Jefferson bezat zelf slaven en betwijfelde sterk of zwarte mensen wel dezelfde intellectuele en morele capaciteiten bezaten als witte. De volgens Israel conservatieve Adams, was wel principieel tegen de slavernij, al achtte hij het politiek nog niet haalbaar om die in de nieuwe Verenigde Staten af te schaffen.

Maar helemaal lastig wordt het voor Israel, als hij de pleitbezorgers van afschaffing van de slavernij behandelt, aangezien die in meerderheid diepgelovige christenen waren. Omdat hun bezwaren tegen de slavernij een theologisch fundament hadden, zijn die voor Israel minder relevant en valide dan de argumenten van de abolitionists die duidelijk tot de Radicale Verlichting behoren. Deze laatste, veel kleinere groep, beriep zich immers niet op de Bijbel, maar op de universele mensenrechten. Dat die mensenrechten evenzeer door mensen zijn bedacht als welke religie dan ook, is iets dat bij Israel volledig naar de achtergrond verdwijnt. Hij heeft zich immers ten doel gesteld dat alle vooruitgang die de mensheid vanaf de zeventiende eeuw heeft geboekt, te danken is aan de Radicale Verlichting. Wie daar niet toe behoorde kan gewoon geen bijdrage aan de moderniteit hebben geleverd en heeft alleen maar in de weg gelopen. Uiteraard is dit een legitiem standpunt, maar het doet helaas wel afbreuk aan het historische beeld dat Israel zo levendig en met zoveel kennis probeert te schilderen.

    • Rob Hartmans