Recensie

González laat je afdalen naar de grond onder je voeten

Tentoonstelling Het Gemeentemuseum toont werk van Julio González samen met dat van vrienden Picasso en Brâncusi. ‘Tekenaar in metaal’ González is minder bekend, maar de aandacht die hij nu krijgt is terecht.

Julio González, Le Cagoulard, 1935

Hij is de assistent die zijn meester helpt met het maken van armaturen en sokkels. Hij laat hem zien hoe hij naadloos last, laat de ciseleerhamer dansen in zijn hand. Met hulp van zijn vriend en assistent Julio González kan de Roemeense beeldhouwer Constantin Brâncusi rond 1925 een perfect spiegelende Slapende Muze maken: een kop zo sereen en glanzend dat ze bijna abstract wordt.

Zijn assistent wikt en weegt, en doet het zelf anders. De in 1876 in Barcelona geboren, en in 1900 naar Parijs verhuisde kunstenaar Julio González werkt in 1924 en 1925 bij Brâncusi. Zijn indrukken zal hij tien jaar later verwerken in een bronzen beeld dat in de verte doet denken aan Brâncusi’s Slapende Muze. Inderdaad: de ovale vorm van het hoofd en de ligging op de wang zijn identiek. Maar waar Brâncusi van zijn muze een van licht sprankelende, schone slaapster maakt, is de kop van González bruut. Le Cagoulard zoals González het werk in 1935 doopt, is letterlijk en figuurlijk een ‘gekapte’. De helft van het aangezicht lijkt weggeslagen met een bijl. De neus is een driedimensionale driehoek, de ogen twee donkere gaten in de vorm van een half hart. En de binnenkant van het hoofd is hol: achter de ogen gaapt een donkere diepte.

 
Julio González, Le Cagoulard, 1935 / Constantin Brâncusi, Muse endormie ll, 1926

Le Cagoulard refereert eerder aan vroeger dan nu. De ‘gekapte’ is zeker niet subliem mooi, zoals Brâncusi’s Muze. Waar Brâncusi de blik richt op de hemel, het oneindig goddelijke, laat González je juist afdalen naar de grond onder je voeten, het aardse, het grofstoffelijke en wat daarachter verscholen gaat.

Schitterende tweeling

De twee werken liggen in een klein kabinet tentoongesteld in het Haags Gemeentemuseum, en ze vormen een schitterende tweeling op de tentoonstelling González, Picasso & vrienden. De expositie is een voorbeeld van de tentoonstellingen waar het Gemeentemuseum prat op gaat. Ze is goed gemaakt, er is een vruchtbare samenwerking met internationale instituten (in dit geval musea in Parijs, Madrid en Valencia), de catalogus is een verrijking.

In het geval van González is de aandacht die hij nu krijgt aan de hand van een retrospectief (want dat is de tentoonstelling in Den Haag feitelijk) helemaal terecht. Anders dan zijn vrienden Picasso of Brâncusi is González minder bekend, ook al nodigt de grote MoMA-directeur Alfred H. Barr hem in 1936 uit voor de baanbrekende tentoonstelling Cubism and Abstract Art in New York, en ook al neemt hij deel aan de Wereldtentoonstelling van 1937. Picasso toont er zijn Guernica, González laat La Montserrat (1936/1937) zien: een sociaal-realistisch gebeeldhouwde boerenvrouw wier gezicht is vertrokken tot een schreeuw. De net uitgebroken Spaanse Burgeroorlog hangt als een donkere wolk boven de Catalaanse kunstenaars.

Het parcours van de tentoonstelling is zowel breed als diep. Breed opgezet is de grootste zaal op de tentoonstelling, waarin de samenwerking met Picasso – levenslange vriend van González – wordt gevierd. Er zijn ansichtkaarten, schetsboeken. Picasso’s grote beeld La Femme au Jardin (1930-1932), waarvan González een bronzen versie maakte, staat er. Hier zijn ook de – wat mij betreft – allermooiste staaltjes van samenwerking tussen de mannen te zien: die voor het monument van de in 1918 overleden dichter Guillaume Apollinaire. Drie kubistische ‘schetsen’ van metaalplaat en ijzer roepen niet alleen de typografische wondertjes in gedachten die Apollinaires uitgaven waren, maar ook diens vrijmoedige omgang met taal en dichtkunst.

Sympathiek

Julio Gonzalez, L’homme Cactus I, 1939

Foto Gemeentemuseum Den Haag

González was een bescheiden, en naarmate hij ouder werd, aan alle kanten vreesachtige man. Gaandeweg de tentoonstelling zie je hem de moed bijeenrapen om zichzelf niet alleen als ‘dienende’ ambachtsman te zien maar ook als avant-gardekunstenaar serieus te nemen. En dat maakt hem sympathiek. Bij González is geen sprake van een genie dat ergens in een smederij lag te sluimeren. Zijn loopbaan is er een van in krabbengang voortgaan. Dat leidt niet altijd tot werken die de tand des tijds doorstaan. De vele vertolkingen van La Montserrat – een soort Catalaanse Kniertje – getuigen daarvan.

De meest verrassende zalen in Den Haag zijn die waarin de diepte wordt opgezocht. De zaal met een serie werken op papier uit het bezit van het Reina Sofia in Madrid is een hoogtepunt. Vier keer, in de jaren 1936 en 1937, oefent González op een kop: kubistisch, als abstracte collage, als tot klomp vereenvoudigde tronie op een staak, als een puur lijnenspel van snorhaar en baard.

Ook zo’n hoogtepunt is de zaal met surrealistische, zwart bronzen hoofden, die González verbeeldt als ‘tunnel’, ‘trechter’, als twee geliefden, als ijle lijn met een neus. Met name bij deze beelden – allemaal ontstaan in de jaren dertig – blijkt hoezeer González zijn naam als ‘tekenaar in metaal’ eer aandoet. Het gewicht van metaal is vergeten. De aard van het materiaal evengoed. Deze beelden kunnen van ijzer zijn, brons, maar net zo goed van papier of textiel. Alles is buigzaam en vederlicht.