Recensie

De nieuwe inquisitie van ‘privilege checkers’

Privileges Phoebe Maltz Bovy schreef een polemiek, met gebreken, tegen het gebruik van ‘privilege’

Demonstranten roepen op tot sociale gelijkheid in New York in mei 2015. Foto Darren Ornitz/Reuters

Zelfs sommige doden moeten boeten voor privileges waarvan ze niet wisten dat ze die hadden. Toen het feministische blog Jezebel in 2012 een droevig stukje plaatste over een jong gestorven witte schrijfster, volgden direct bestraffende reacties. Waarom juist dít sterfgeval betreuren? Wit privilege! Over een onbesuisde Amerikaanse toerist die in Noord-Korea werd opgepakt en daarna overleed, werd online gehoond dat hij zijn verdiende loon had gekregen: die jonge, rijke witten denken dat ze alles kunnen maken.

Nu kun je allerlei vragen stellen over verschillen in de publieke aandacht voor slachtoffers, ook ongemakkelijke over etnische vooringenomenheid. Maar dat er iets mis is met het ‘checken’ van de privileges van een pas overleden mens, kwam blijkbaar niet bij deze reageerders op. Dat riekt naar hardvochtig fanatisme, of ordinair leedvermaak.

In The Perils of “Privilege” ziet Phoebe Maltz Bovy dit postuum betuttelen en kleineren als symptoom van een uit de hand gelopen Amerikaanse cultuur van privilege checking (het blootleggen van eigen of andermans onverdiend voordeel). In plaats van een begrip om sociale ongelijkheid mee aan de kaak te stellen is het volgens haar vooral een roede geworden om individuen mee in het gelid te timmeren of te vernederen. Ontgroenen voor de goede zaak, oftewel ‘persoonlijke belediging verpakt als maatschappijkritiek’, vindt Maltz Bovy.

Haar boek is een actuele, scherpe, en soms geestige polemiek tegen dit gebruik van het privilege-idioom. Ze haakt daarmee aan bij Princeton-student Tal Fortgang, die in 2014 een furieus stuk schreef tegen het politiek-correcte biechten op zijn campus; zijn Poolse opa was naar de VS gevlucht voor de nazi’s, zijn oma zat in Bergen-Belsen, dus hoezo ‘wit privilege’? Zijn echte privilege, aldus Fortgang, was zijn opvoeding door hard werkende ouders. Een klassiek rechts thema overigens: ‘karakter’ overwint alles.

Phoebe Maltz Bovy, gezegend met een naam en een biografie die volop privilege suggereren (ze studeerde Frans en woont in New York en Toronto) is een stuk minder furieus. Op een beschaafde, soms verbaasde toon behandelt ze de bezwaren tegen ‘privileges’ als instrument voor sociale verandering. Die bezwaren zijn zowel inhoudelijk als strategisch: het praten in termen van privilege puur op grond van huidskleur zet groepen tegen elkaar op en reduceert de samenleving tot een slagveld van geprivilegieerde machtigen versus nobele onderdrukten. Het levert nederige bekerings- en solidariteitservaringen op van witte sympathisanten (‘please don’t hate me!’), maar niet veel meer, menen critici. Inhoudelijk veronderstelt het een doctrine over ‘witheid’ die zélf essentialistisch is, een vorm van tribalisme of zelfs racisme.

Die kritiek komt van rechts en links-liberaal. Klassieke marxisten vinden eerder dat het begrip reële machtsverhoudingen juist versluiert en werkelijke onderdrukkers ‘onzichtbaar’ maakt: als iedereen de dupe is van een onbewust systeem, is niemand schuldig. De nadruk op ‘ras’ miskent volgens hen klassenverschillen, en belet solidariteit tussen etnische groepen.

Maltz Bovy, zelf een klassieke liberal, deelt veel van die kritiek. Ze merkt daarnaast op dat in ‘privilege’, toegepast op etnische verhoudingen, een valse analogie schuilt tussen de verdeling van rechten en die van materiële goederen zoals rijkdom. Naar de stembus kunnen gaan is geen privilege maar een recht. Het niet kunnen uitoefenen ervan is geen gebrek aan privilege, maar actief onrecht.

Net als vóór haar publiciste Angela Nagle in een venijnig essay over alt-right, waarschuwt Maltz Bovy bovendien dat links en rechts elkaar hier dreigen te raken. De weerzin tegen geprivilegieerde witte vrouwen vindt een parallel in klassiek-rechtse misogynie, meent zij. In het ontmaskeren van elitaire privileges keert soms aloud antisemitisme terug.

Dat zijn treffende waarnemingen, en Maltz Bovy’s inventarisatie van de huidige online scherpslijperij is terzake. Maar er zijn ook grote problemen met dit boek. Het minst belangrijke: deze auteur hoort zichzelf graag praten, in een iets te goed gekamd en gekapt proza. Dat maakt haar stijl soms irritant precieus en het boek, voortgevloeid uit een artikel voor The Atlantic, onnodig dik.

Bezwaarlijker is dat zij, ondanks de brede inzet van het boek, bijna uitsluitend afgaat op de online werkelijkheid. Ze put uit Twitter, blogs en sites; en ja, de online mores die ze beschrijft zijn afwisselend hilarisch en huiveringwekkend. Maar ze gaat, zoals in linkse hoek is opgemerkt, grotendeels voorbij aan de bredere context van privilege-theorie.

Haar beginpunt is het invloedrijke artikel van feministe Peggy McIntosh, Wit privilege en mannelijk privilege (1988). Uit dat artikel stamt de pakkende beeldspraak van een ‘onzichtbaar rugzakje’ aan onverdiend voordeel dat witten (en mannen) met zich meedragen. Maar het denken over de scheve verdeling van onuitgesproken maatschappelijke voordelen is veel ouder.

Lang voor McIntosh was al sprake van het ‘psychologisch voordeel’ dat witte arbeiders ingeprent kregen (want ze waren ‘tenminste wit’) om zichzelf te onderscheiden van hun zwarte collega’s en klassegenoten. Hier klinken echo’s van het marxistische ‘vals bewustzijn’.

Doordat ze die context negeert, gooit Maltz Bovy het kind met het badwater weg. Dat privilege checking een online inquisitie is geworden, betekent nog niet dat aan het licht brengen van verscholen sociale ongelijkheid geen zin heeft, of nooit kan dienen als het begin van reële verandering. Zoals de zelfgenoegzaamheid van privilege checkers op Twitter niet wil zeggen dat het hele idee van onuitgesproken voorsprong en voordelen onjuist is.

Dat beseft de keurige liberal Maltz Bovy ook wel, ze wil het idioom aanklagen, niet de diagnose. Maar hoe vindt zij dan dat sociaal onrecht en racisme moeten worden bestreden?

Ze komt met een reeks redelijke maar ook nogal obligate aanbevelingen: minder obsessie met ‘bewustwording’, meer aandacht voor politieke actie; meer focus op economie en minder op culturele kwesties; voor onderdrukking op macro-schaal in plaats van fixatie op ‘micro-agressies’ op persoonlijk niveau.

Maar Maltz Bovy heeft weinig oog voor de keerzijde van die strategische aanbevelingen: het risico dat klachten over racisme die niet direct te maken hebben met burgerrechten of economie worden afgedaan als overgevoelig ‘gezeur’. Zwarte Piet bijvoorbeeld is nu eenmaal vooral een culturele kwestie. Toch is haar kritiek ook hier relevant. Want om racistische beeldvorming aan de kaak te stellen heb je de notie van ‘privileges’ helemaal niet nodig. Beproefde noties van stereotypering en discriminatie kunnen dat werk ook heel goed verzetten.