Recensie

‘Achterlijke Nederlandse barbaren’ in de stad

Nederlanders in Rome

In zijn literaire ‘reisgids’ maakt Arthur Weststeijn zeven wandelingen door Rome op zoek naar plekken met een Nederlandse geschiedenis.

Caspar van Wittel (Vanvitelli): Gezicht op de Tiber in Rome, eind 17e eeuw

De liefde voor Rome begint voor veel scholieren ongemerkt tijdens hun Rome-reis in de vijfde klas middelbare school. Eerst overvalt je daar de hoeveelheid kunst, kerken en antieke resten, maar als de filosofie-leraar in het Palazzo Farnese zegt: ga allemaal maar op de grond liggen, dan vertel ik wat jullie zien – dan sta je aan het begin van die liefde.

Ook historicus en schrijver Arthur Weststeijn liet zich toen, op de Rome-reis, eerst overdonderen door de ruïnes van de Oudheid voordat hij jaren later de stad in één keer verorberde als de lekkerste ‘artisjok’ ter wereld en er uiteindelijk zes jaar woonde.

In zijn originele literaire ‘reisgids’ Nederlanders in Rome maakte hij zeven wandelingen langs plekken met een Nederlandse geschiedenis. Veel kunstenaars, wetenschappers, een paus en een prinses verbleven er korte of langere tijd.

Velen van hen keerden gedesillusioneerd terug, zoals de ‘vergeten Nederlandse geleerde’ Johannes van Heeck uit Deventer die in 1603 mede-oprichter was van de Accademia dei Lincei. De arts en denker over mens en natuur werd na eerdere aantijgingen van ketterij en zwarte magie, geschorst als lid wegens zijn ‘geestelijk gebrek’. Volgens collega’s was hij paranoïde geworden. Zijn geschriften zouden volgens Weststeijn nog steeds in het academie-archief in het Palazzo Corsini moeten liggen. Overigens bestond er ook toen al lichte rivaliteit tussen de Italiaanse wetenschappers en de ‘achterlijke barbaren van elders’. De Amsterdamse ingenieur Cornelis Meijer construeerde een afdamming voor de Tiber maar werd weggepest door de Italiaanse architect Carlo Fontana. Ook korter geleden, toen de Nederlandse filosoof en historicus Leen Spruit in december 2010 het originele manuscript van de Ethica van Spinoza ontdekte in de Vaticaanse bibliotheek, werd Spruit niet uitgenodigd op een officiële presentatie in Rome en ging een Italiaanse hoogleraar er met de eer van door. Weststeijn zat erbij en wist niet wat hij hoorde. Was hier sprake van wetenschappelijke jaloezie?

De Nederlandse paus, Adrianus VI (1459-1524), over wie begin dit jaar een biografie verscheen, voldeed ook al niet aan de verwachtingen – hij wilde te veel bezuinigen en nam vooral Nederlanders in dienst – en overleed een jaar nadat hij het pontificaat aanvaard had. Weststeijn volgt de laatste tocht van Adrianus van de Sint Pieter naar de Santa Maria Maggiore door smalle straten. Kort na deze tocht stierf hij; in de Santa Maria dell’Anima is zijn wit marmeren grafmonument te bewonderen.

De uit Amersfoort afkomstige schilder Caspar van Wittel (1653-1736) had meer geluk. Hij schilderde in Rome het ene na het andere stadsgezicht en verkocht die zowel aan toeristen als aan de plaatselijke adel. Hij trouwde een Italiaanse, veranderde zijn naam in Gaspare Vanvitelli en werd na zijn dood bijgezet in een ‘prominent graf’ voor het hoofdaltaar van de Chiesa Nuova. Overigens kocht het Amersfoortse museum Flehite afgelopen zomer bij Christie’s in Londen diens gouache Gezicht op Amersfoort (1712) voor 220.000 euro. Het werk is nu te zien in Amersfoort, maar moet in 2019 het pronkstuk worden op een tentoonstelling gewijd aan Van Wittel.

Weststeijn lijkt alle kerken, kunst en stenen nageplozen te hebben op Nederlandse sporen. De landgenoten komen er redelijk goed van af, behalve dan de Feijenoord-supporters die in 2015 de marmeren beelden van Bernini vernielden. Hij schaamde zich diep en heeft zich wekenlang bijna dagelijks moeten verontschuldigen voor hun dronken wangedrag.

Nederlanders en drank – de Romeinen zijn er niet van gecharmeerd. Dat begon al met de zogeheten ‘Bentvueghels’ in de zeventiende eeuw; een groep Nederlandse kunstenaars, bentvogels, die volgens Weststeijn nog het beste te vergelijken is met een ‘corporaal dispuut’ dat nieuwe ‘vogels’ verwelkomde met een ‘typisch corporaal ontgroeningsritueel’. Na het ritueel trok de schildersbende naar de koepelkerk Santa Costanza buiten het centrum en brachten daar dan nog een offer aan wat zij voor een Bacchus-tombe hielden. In een van de zijkapellen van de Santa Costanza zijn nog ingekraste namen van de Bentvueghels te lezen, zoals ‘casparus van wit(t)el alias de Toordts 1680’, de ons niet onbekende Amersfoortse schilder. En tot zijn grote ontsteltenis ontwaart de schrijver in een andere nis de naam ‘VOSSIUS 2001’ – Amsterdamse gymnasiasten op Rome-reis, dat kan niet anders, besluit Weststeijn. Hopelijk is bij hen toen wel de eerste liefde voor de stad ontstaan.