Column

Zulke rare gewoontes

Nogal willekeurig stond ik in een tijdschriftenzaak wat bladen door te kijken, toen een forse man zich bij de toonbank meldde. Hij was opmerkelijk dun gekleed op deze kille Oudejaarsdag: zonder overjas en in een te korte trui waaronder zijn blote onderrug zichtbaar werd, mede dankzij een iets afzakkende spijkerbroek.

Achter de toonbank stond de eigenaar van de zaak, samen met zijn doodsbleke assistent die altijd zó’n slechte adem had dat ik zoveel mogelijk afstand nam als ik afrekende. De nieuwe klant ging met zijn hand richting bilnaad en krabde zich met een snelle beweging, terwijl hij tegen de eigenaar zei: „Ik heb toch zo’n last…”

De eigenaar, een onverstoorbare Jordanees met ouderdomsvlekken in zijn gezicht, keek hem gelaten aan.

„Heeft u misschien…”, zei de klant.

„Jeuk?” zei de eigenaar, „nee, dat hebben we niet.”

De klant was even uit het veld geslagen. Hij bracht zijn schuldige hand naar boven – gelukkig zonder eraan te ruiken – en vroeg naar „een blad over graffitikunst of zoiets”.

„Nee”, zei de eigenaar, „dat hebben we ook niet.”

„Welke zaak kan me wél helpen?” vroeg de klant.

De eigenaar ging kort in conclaaf met zijn assistent. Er vielen wat namen, maar elke keer kwamen ze tot de conclusie dat de betreffende zaak nog niet zo lang geleden over de kop was gegaan. Middenstanders in de Amsterdamse binnenstad hebben het nu eenmaal niet gemakkelijk om zich te midden van de vele ijs- en wafelzaken te handhaven.

„Ik hoor het al”, zei de klant, „dat wordt niks.” Hij mompelde een korte groet en vertrok.

„Hij kan beter wat graffitikunst op z’n blote reet zetten”, zei de eigenaar tegen zijn assistent. „Nog een geluk dat hij me geen prettige jaarwisseling wenste. Want daar word ik ook érg moe van. Heb jij dat niet?”

„Hoezo”, zei de assistent.

„Nou, dat je met deze dagen iedereen een prettige jaarwisseling moet wensen. Iedere winkelier doet het, dus je kunt moeilijk achterblijven. En als je het per ongeluk vergeet, dan zijn ze beledigd, want de mensen zijn heel graag beledigd. Ik zal blij zijn als het straks weer voor een jaar achter de rug is. Het zijn zulke rare gewoontes. Waarom moet je iemand een prettige jaarwisseling wensen terwijl het je een rotzorg zal wezen?”

„Ach…”, zei de assistent. Het was een man van weinig woorden, maar met zo’n knorrige baas was dat misschien ook wel beter.

„En nou moet je vooral niet denken dat het morgen allemaal voorbij is”, zei de eigenaar. „Nee, dan begínt het pas.” Hij zette een raar hoog stemmetje op. „Gelukkig Nieuwjaar! De beste wensen! Een goede gezondheid! En dat twee weken lang. Ik zeg weleens tegen mijn vrouw: ik doe voortaan de zaak de weken vóór en ná Oud en Nieuw potdicht, maar ja, zakelijk is dat natuurlijk niet erg handig.”

Ik maakte me los uit de hoek waarin ik stond te lezen en liep met een blad naar de toonbank. De eigenaar keek me nogal verrast aan, hij had me kennelijk over het hoofd gezien. Ik rekende af, stak het blad bij me en liep groetend naar de deur.

„Nog een prettige jaarwisseling!” riep hij me achterna.

Ik bedankte hem en dook de kou in.