Dit zijn de rijzende culturele sterren voor 2018

Cultureel talent Let in het komende jaar op deze zeven jonge kunstenaars. Van beloftevolle zanger tot ambitieuze schilder: zij staan klaar om de culturele wereld te bestormen.

Beeldbewerking NRC

Dit zijn de namen van 2018. Bij het begin van het nieuwe jaar portretteert de cultuurredactie van NRC zeven talentvolle jonge kunstmakers om in de gaten te houden.

De portretten per discipline:
1. Pop: Tamino
2. Theater: Steef de Jong
3. Cabaret: Janneke de Bijl
4. Film: Marina Meijer
5. Dans: Daniel Robert Silva
6. Beeldende kunst: Rosa Johanna
7. Klassiek: Diamanda Dramm

Bekijk ook de cultuuragenda voor de eerste helft van 2018: De culturele hoogtepunten voor het voorjaar

Een bezwerende stem die smacht en dwingt

Foto Alexander Popelier

Pop: Tamino. Met zijn weemoedige, duistere muziek is Tamino de nieuwe belofte van België.

Nog maar één EP heeft hij uit en nu al kan hij tot de meest beloftevolle zangers van België gerekend worden. Tamino, voluit Tamino-Amir Moharam Fourad, heeft het niet van een vreemde. Zijn grootvader Moharam Fourad was een gevierd zanger in Egypte en de rest van de Arabische wereld. Zijn Belgische moeder onderwees hem in de schoonheid van opera en theater, voordat Tamino tijdelijk van Antwerpen naar Amsterdam verhuisde voor een studie aan het Conservatorium. Veel viel er niet voor hem te leren: zijn eerste single ‘Habibi’ sloeg meteen aan en de opvolger ‘Cigar’ werd vorig jaar een van de meest beluisterde tracks van een nieuwe Belgische artiest.

Zijn muziek is weemoedig en duister, met hier en daar een bezwerende stembuiging die neigt naar de Arabische toonladder. Tamino (21) heeft aan minimale middelen genoeg. Live speelt hij sommige van zijn nummers met alleen een zacht getokkelde elektrische gitaar. Samen met coproducer Tom Pintens maakte hij de EP Tamino tot een wonder van eenvoud, in vijf nummers die zijn smachtende en soms ook dwingende stem van een passende begeleiding voorzien.

In zijn teksten, die hij liever niet te veel becommentarieert om hun poëtisch mysterie in stand te houden, durft Tamino zich kwetsbaar op te stellen. ‘Light is burning / as I am yearning’ is de oersimpele hookline van het uit het diepst van zijn ziel gegrepen ‘Habibi’. Bij een uitverkocht concert in de Amsterdamse club Bitterzoet kreeg hij er onlangs de hele zaal mee stil. Tamino dwingt concentratie af met muziek die geen lichtvoetig geroezemoes verdraagt. ‘Cigar’ is zijn weergave van de zoektocht naar levensvreugde, die soms niet over rozen gaat. Het nummer werd geïnspireerd door een bezoek aan het Van Gogh Museum, waar hij werd gegrepen door het schilderij van een skelet met een brandende sigaret tussen de tanden. „Die heeft geen spijt van de dingen die hem in het leven zijn overkomen”, dacht Tamino er onwillekeurig bij.

Aan podiumervaring heeft hij inmiddels geen gebrek na optredens op Rock Werchter, Pukkelpop, de Lokerse Feesten en een uitverkocht Ancienne Belgique in Brussel. Zijn warme band met Nederland brengt hem op 18 januari naar Eurosonic en in april naar Nijmegen en Utrecht. Down The Rabbit Hole is een van de vele festivals waar hij zijn magisch ritueel van vocale bevlogenheid zal opvoeren. Een nieuwe single staat op stapel en een volwaardig debuutalbum verschijnt in het najaar. In 2018 verwacht Tamino uit zijn schulp te kruipen. In zijn Amsterdamse studieperiode was hij „die stille Belg” en terug in Antwerpen vonden ze hem „gekke opgewekte Tamino”. Die twee bij elkaar maken een popster in wording.

Jan Vollaard
Terug

‘Theater moet haaks staan op de werkelijkheid’

Foto Tim Stet

Theater: Steef de Jong. Voor zanger en theatermaker Steef de Jong is operette zijn grote liefde. In 2017 brak hij door met Steefs Operette Uurtje. Er komt nu een serieuze operette-avond. „Je moet ernaar leren kijken.”

‘De droombeelden uit de operette neem ik serieus. Ik zie de schoonheid ervan, ze nemen me mee naar een andere wereld”, zegt zanger en acteur Steef de Jong (34) over zijn geliefde muziekgenre, de operette. „Zoals de aria ‘Gruß mir mein Wien’ uit Gräfin Mariza waarin een zanger de maan vraagt zijn geliefde Wenen te groeten, dat ontroert me. Vroeger dacht ik dat je operette moest zien alsof het camp is, een oppervlakkige mix van kunst en kitsch. Maar dat is ten onrechte. Operette is in artistiek opzicht net zo hoogstaand en zelfs avant-gardistisch als opera. Alleen je moet ernaar leren kijken.” Deze week werd bekend dat Steef de Jong de Mary Dresselhuys Prijs 2017 ontvangt voor zijn oeuvre. De jury roemt hem als een „opmerkelijk fenomeen, een inventief en regelrecht multitalent”.

Met zijn theatergezelschap Groots en Meeslepend, opgericht in 2013, is De Jong verantwoordelijk voor een opmerkelijke revival van de operette. Voorstellingen als Straussvogel, Ludwig en Steefs Operette Uurtje, alle geregisseerd door Ina Veen, zijn een eerbetoon aan walsenkoning Johann Straus jr, Ludwig II van Beieren en aan de Franse operettekoning Jacques Offenbach. Zelden klinkt An der schönen blauen Donau zó oprecht als bij Steef de Jong. Geen camp, geen knipoog, nee, het is de zanger en theatermaker volle ernst.

Ooit kende ons land een rijk operetteleven met de Haagse Hofstad Operette en de Amsterdamse Hoofdstad Operette. „Waarom bestaat operette niet meer?”, vraagt De Jong zich hardop af. „Een van de eerste operettes die ik hoorde was Viktoria und ihr Husar en het eerste lied ‘Wolgalied’ uit Der Zarewitsch door Marco Bakker. Dat maakte diepe indruk. Mensen zeggen vaak dat operette een schijnwereld van porselein en suikergoed presenteert, maar dat is juist de kracht ervan. Theater moet haaks staan op de werkelijkheid. Operette zoals ik die breng is altijd een spel met theaterillusie: een sprookjeswereld komt tevoorschijn en verdwijnt weer.”

Misschien komt het door zijn grootmoeder dat De Jong geboeid is geraakt door de wereld van operette, variété en revue. Als vijftienjarig meisje sloot ze zich in Haarlem aan bij de rondreizende artiesten Fiochi Sisters and Paolo. Zij vertrok naar Duitsland en keerde pas na jaren terug. Samen met cabaretier Alex Klaasen maakte De Jong de toneelhit De Modern Art Revue. Op onnavolgbare wijze bespreken de spelers de ontwikkelingen in de moderne kunst van de laatste eeuw. Net als in zijn eenpersoonsoperettes drukt De Jong iets van een ingénu uit zoals hij de toeschouwer aankijkt met open ogen. Alsof hij wil zeggen: „Kijk, hoe bijzonder operettekunst is.”

Op dit moment werkt De Jong aan het vervolg op zijn ‘operette uurtje’ met Orfeo, een drama van karton. Hierin keert hij terug naar de moeder aller opera’s en operettes: L’Orfeo van Monteverdi uit 1607. De Jong: „Dit wordt een serieuze voorstelling. Ik ga op zoek naar de muzikale kracht van Orpheus. Als hij onthoofd wordt, zingt hij door en hij weet zelfs rotsen, wilde dieren en bomen te ontroeren.”

De Jong wijst op talloze ansichtkaarten, knipsels, kostuumontwerpen en andere illustraties die met de mythe van Orpheus te maken hebben. Ze sieren de wand van het atelier. „Er zijn door de eeuwen heen wel zestig variaties op het Orfeo-verhaal gemaakt”, zegt hij. „Ik houd vast aan het beeld van het zingende hoofd, dat ook nog eens op Lesbos aanspoelt. In mijn operettefantasie gaan niet alleen bomen en rotsen huilen, maar wie weet ook de zee zelf. Dan zijn we helemaal terug bij de operette.”

Kester Freriks

Orfeo, een drama van karton door Groots en Meeslepend. Tekst en spel: Steef de Jong. Accordeon: Marieke Hopman. Regie: Ina Veen. Première 3/3 Toneelschuur, Haarlem. Inl: grootsenmeeslepend.nl

Terug

‘Ik film mensen die ver van me af staan’

Foto Marina Meijer

Film: Marina Meijer Marina Meijer studeerde af met een film over een boorplatform. „Ik wilde een plek filmen waar vrouwen volledig ontbreken.”

Ze is een romanticus vertelt documentairemaker Marina Meijer (1987). „Voor mij wil romantiek zeggen dat het subjectieve, emoties en intuïtie, een leidraad vormen in plaats van droge feiten.” Meijer studeerde in 2016 af aan de Nederlandse Filmacademie met de korte documentaire Cargo waarin de potige bemanning van een schip dat boorplatformen bevoorraadt praat over liefde en relaties. Terwijl het schip de ene na de andere stalen container lost, zien we op de achtergrond de deinende zee.

Meijer: „Die film gaat voor mij over het belang van de vrouw: we leven nog steeds in een wereld die door mannen en hardheid wordt gedomineerd. Ik wilde een plek filmen waar vrouwen volledig ontbreken en daar zoeken naar kwetsbaarheid.” Haar film werd geselecteerd voor het Canadese documentairefestival Hotdocs.

Meijer was afgelopen jaar een van de zes deelnemers aan de IDFA-academy, een trainingsprogramma voor opkomende filmmakers onder leiding van onder meer regisseur Coco Schreiber. Ze won er de Karen de Bok Talent Prijs en krijgt 25.000 euro om haar nieuwe filmplan uit te voeren. Meijer wil opnieuw gaan filmen in een gesloten context, deze maal een Rotterdams transformatiecentrum waar jongemannen worden geholpen die door uiteenlopende problemen aan de rand van de maatschappij zijn beland. Meijer: „Ik vertrek altijd van heel persoonlijke vragen en ga de antwoorden hierop zoeken in werelden en bij personen die ver van me afstaan.”

In Cargo volgt ze vooral een bemanningslid dat rauwe grappen maakt ondanks dat zijn geliefde is overleden. In een eerdere film, Water aan wal, filmde ze de 7-jarige Dik die woont in een schippersinternaat. Meijer: „Ik ben zelf heel beschermd opgevoed als enig kind. Ik vroeg me af hoe het is als je opgroeit ver weg van je ouders, met veel kinderen om je heen. Je ziet hoe Dik op heel jonge leeftijd erg hard kan zijn, om te krijgen wat hij wil. Tegelijk hunkert hij erg naar liefde.” In al haar films lijken Rotterdam en de haven een rol te spelen. „Misschien komt dat onbewust door mijn naam, Marina”, lacht ze.

Door haar intuïtieve werkwijze nemen mensen haar niet altijd even serieus, vertelt de jonge maker. „Veel mensen associëren een wat romantische houding met zweverig of naïef zijn. Ik zie dat zelf niet zo: als documentairemaker kan het prettig zijn als mensen je niet als een bedreiging zien, dan laten ze je je gang gaan.” Soms merkt ze dat het lastig is om mensen binnen de filmindustrie te overtuigen van haar visie: „Dan willen producenten bijvoorbeeld dat je scherpe keuzes maakt, zodat ‘het verhaal’ van je film helder is. Zelf vind ik complexiteit interessant: ik wil de wereld niet veranderen, ik wil de wereld begrijpen.”

Als grote voorbeelden noemt Meijer onder meer schrijver Konstantin Paustovski: „Hij was zich heel bewust van de heftige wereld waarin hij leefde – hij maakte onder meer de Russische Revolutie mee – tegelijkertijd bleef hij oog hebben voor het kleinste detail, zoals een grassprietje dat net door de grond komt. Voor hem was romantiek een keuze om te overleven.”

Sabeth Snijders
Terug

‘Het leven is zinloos’

Foto Janneke de Bijl

Cabaret: Janneke de Bijl Janneke de Bijl won in november de juryprijs en de publieksprijs op Cameretten.

‘Jij bent eigenlijk meer iemand voor achter de schermen, concludeerde een klasgenoot van Janneke de Bijl (35) op de theateropleiding Selma Susanna. „Dat vond ik toen een heel nare opmerking, maar ik snap hem nu wel. Ik heb een afstandelijke uitstraling. Als ik zeg dat ik ergens heel blij mee ben, denken mensen dat ik dat sarcastisch bedoel. Bij Comedytrain heb ik geleerd hoe ik die houding om kan zetten in iets komisch.”

In de finale van Cameretten won ze met overmacht. Ze veroverde de juryprijs en de publieksprijs. Haar openingszin was: ik ben nét niet gezellig. In het half uur daarna nam ze haar publiek mee in al haar overmatige gepieker over het ondertekenen van mailtjes, doktersbezoeken, kleine borsten en overrijpe kiwi’s. „Ik probeer het tragische van het alledaagse leven in woorden te vatten maar dan wel zo dat mensen het herkennen.”

Er gingen wel wat jaren van geworstel aan vooraf. Na de middelbare school deed ze auditie voor de toneelschool. „Ik werd keihard afgewezen.” De eerste keer in Toomler „was een afgang”, pas een jaar later durfde ze opnieuw het podium op te klimmen. In 2011 deed ze mee aan Cameretten en haalde ze de halve finale.

Waarom ze dan toch doorging? „Het leven is zinloos, dan kan je maar beter doen waar je gelukkig van wordt.” Met die „niet zo hele optimistische houding” werd ze geboren, al werd haar neiging om aan alles te twijfelen, aangewakkerd tijdens haar studie filosofie. „Daar bekeken we de functie van taal, tijd, liefde maar ook het leven. Je kan die thema’s van zoveel kanten bekijken dat ik de conclusie trok: uiteindelijk heeft niets zin. Dat klinkt depressief maar voelde ook als opluchting. Ik kan doen waar ik zelf gelukkig van word.”

Ze zette haar zinnen op lid worden van Comedytrain en werd aangenomen. „Het eerste jaar was echt zwaar. Had ik twee grappen terwijl ik twaalf minuten moest volmaken. Soms voelde het alsof ik doodging omdat ik vond dat het publiek te weinig moest lachen. Maar er waren ook meteen collega’s die er iets in zagen. Ik had originele onderwerpen, zeiden ze.”

Na haar finale-act op Cameretten kwamen verschillende impresariaten naar haar toe. Ze koos haar management vanuit de visie: waar kan ik buiten de lijntjes kleuren? „Ik richt me nu op het theater maar wil uiteindelijk zelf bepalen welk podium ik kies. Als ik een idee heb dat ik beter kan uitwerken voor een museum of in een boek wil ik dat zonder belemmeringen kunnen doen. Hypothetisch gezien dan.”

Anouk Kragtwijk
Terug

‘Ik werd opeens een rolmodel’

Foto Robin de Puy

Dans: Daniel Robert Silva Sinds vorig jaar is de Braziliaan Daniel Robert Silva lid van het corps de ballet van Het Nationale Ballet.

Tien jaar heeft Daniel Robert Silva erover gedaan om te ontdekken dat hij écht van dansen houdt. Dat het zijn karakter heeft gevormd en dat het klopt dat hij, met zijn achtergrond, in het ballet is terechtgekomen.

Het bewustzijn brak niet door tijdens een van de klassieke solistische rollen die de 21-jarige Braziliaan, sinds vorig jaar lid van het corps de ballet van Het Nationale Ballet, al op zijn naam heeft staan. Het was juist in de periferie van het seizoensprogramma. Hij voelde het op de jonge-choreografenavond New Moves, tijdens de solo Echoes Through Time van Chanquito van Hoeve, waarin hij een rauwere, gevoelige kant van zichzelf kon laten zien. Silva’s talent kwam in die korte solo tot volle bloei, zijn hele lichaam ademde expressiviteit, begrip voor zijn kunst. Ook een paar maanden later, tijdens de openingsvoorstelling van de Black Achievement Month, kreeg hij een ovationeel applaus.

Met zijn lange, slanke ledematen en de trefzekerheid van zijn bewegingen was hij al opgevallen bij de Junior Company van HNB, waar hij in 2015 in dienst trad. Elegant, afgewerkt, zijn posities exact geplaceerd, een uitstekende ‘draaier’. En dan ook nog een zwanenhals waarmee hij kan concurreren met zijn vrouwelijke balletcollega’s. Maar die solo was voor hem het keerpunt, vertelt hij. „Ik voelde ineens waarom ik dans. De muurtjes die ik door de jaren heen om mij heen had opgetrokken, vielen ineens weg. Het was een soort uittreding.”

Maar tien jaar keihard werken voor een plaats in een klassiek balletgezelschap; hoe krijg je dat voor elkaar zonder intrinstieke dans-drive? Als je zelfs met de nodige tegenzin je eerste stappen in een balletstudio hebt gezet?

Silva glimlacht. „Ik had een natuurlijk talent, dat voelde ik wel. Mijn eerste docente zag mogelijkheden in mij. Maar ik was een moeilijk kind, brutaal, luidruchtig. Ik werd door de ene na de andere docent uit de les gegooid. Ken je ze, die kids die bij alles wat je zegt met hun ogen gaan draaien? Nou, dat was ik. Ballet was vooral een vlucht uit de omstandigheden waarin ik toen leefde. Het bood me uitzicht op een beter leven.”

Silva werd geboren in de Braziliaanse stad Uberlândia, in een favela waar drugshandel, criminaliteit en geweld nog altijd welig tieren. Ook de vader en oudste zussen van Silva kwamen geregeld in aanraking met justitie. Nadat zijn moeder was overleden toen hij acht was, werd hij toevertrouwd aan de zorgen van oma. Om hem te beschermen, probeerde zij hem zoveel mogelijk van de straat te houden. Zij stuurde hem na schooltijd naar een huiswerkinstituut waar daarnaast allerlei andere verplichte activiteiten werden georganiseerd, waaronder ballet. „Waar ik helemáál geen zin in had. Voor jongens bestaat in Brazilië maar één ding: voetbal. Mijn vader, die in de gevangenis zat, vond het maar niets. Ook voor mijn vriendjes werd ik het pispaaltje.”

Ondanks zijn eigen tegenspartelen, de tegenwerking en spot van zijn omgeving liet hij zich in de richting van een balletcarrière duwen, aangemoedigd door zijn docente. „De aandacht en waardering deden me goed. Heerlijk vond ik alle complimentjes die ik kreeg op balletconcoursen; zoiets had ik nooit ervaren. Het werd mijn motivatie om hard te werken. Op voorspraak van mijn docente mocht ik gratis naar de duurste balletschool van de stad. Stond ik ineens in de les met de dochter van de burgemeester. In de media werd ik als rolmodel gepresenteerd. Ík!”

De uitdrukking ‘een nieuwe wereld ging open’ is in het geval van Silva op zijn plaats. Hij staat er zelf nog vaak verbaasd van. „Mijn oude bestaan is zó ver weg. Soms praat ik erover in de derde persoon.” Op zijn weg van zijn Braziliaanse naar zijn huidige Amsterdamse leven volgde hij, op een volledige beurs, een balletopleiding in Canada. Hij bracht er drie eenzame jaren door, aanvankelijk zonder een woord Engels te spreken. Doodsbang was hij in zijn laatste jaar. Hij móést een contract binnenslepen, want anders dan de meeste van zijn medestudenten had hij niets om op terug te vallen. Geen geld, geen opleiding, geen steun van zijn familie.

Tijdens de auditie voor de Junior Company kwam in de studio aan het Amsterdamse Waterlooplein het oude straatvechtertje naar boven. „Ik weet niets meer van de stad, van het theater. Alles is een waas. Ik wist alleen dat dat contract van mij was. Ik ben pal vooraan gaan staan, vlak voor Ted Brandsen en Ernst Meisner.”

Het zou zijn eerste opvallende optreden in Amsterdam zijn: Brandsen en Meisner, artistiek leiders van respectievelijk HNB en de Junior Company, waren om. Met veel bluf wist Silva er behalve een contract ook een reiskostenregeling uit te sleuren. Hij grinnikt om zijn eigen lef. „Ik wíst dat zij mij wilden.” En nu weet hij ook wat híj wil.

Francine van der Wiel
Terug

‘Schilderen is altijd de basis’

Foto Nadine Tue

Beeldende kunst: Rosa Johanna Rosa Johanna is een van de genomineerden voor de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs. Ook krijgt ze een solo-expositie in Galerie Eenwerk.

Ja, de nominatie voor de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst was een hoogtepunt in 2017. Maar het echte hoogtepunt van het jaar was voor Rosa Johanna (1991) de reis die ze maakte naar Peru, om daar een kunstenaarsresidency te doen in Lima. „Daar ervoer ik hoe kunstpraktijk over grenzen heen gaat”, vertelt ze, „dat het niet uitmaakt waar je werkt, en dat je overal aansluiting kunt vinden. De echte hoogtepunten zijn voor mij de momenten waarop ik nieuw werk maak. Het zijn niet de nominaties, hoe mooi die ook zijn.”

Toch begint 2018 ook op dat vlak goed: met opnieuw een nominatie en twee exposities in het vooruitzicht. Vanaf 3 februari is werk van Johanna te zien in het Stedelijk Museum Schiedam, als genomineerde voor de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs 2018. Rond het begin van de zomer komt daar een solotenoonstelling in galerie Eenwerk bij, de Amsterdamse kunstruimte waar telkens slechts één werk tegelijk te zien is. Eerder was daar werk van gerenommeerde kunstenaars als Stanley Brouwn en Steve McQueen te zien. „Het is nog niet helemaal duidelijk wanneer mijn werk er hangt, ik ben nu bezig het te ontwikkelen.”

Johanna ging naar Peru omdat de traditionele tapijten uit dat land haar deden denken aan de lijnen en abstracte patronen waar ze al mee bezig was in haar schilderijen. Voor de tentoonstelling bij EenWerk gaat ze hierop verder: ze is bezig met een eigen tapijt. Daarmee wil ze reageren op een geluidswerk dat ze gaat opnemen in de galerie. De bedoeling is om patronen in het tapijt te associëren met patronen in het geluid. „Of dat geluid vervolgens ook weer in dezelfde ruimte wordt afgespeeld weet ik nog niet. Mijn werk ontstaat altijd gedurende het proces.”

Voor de tentoonstelling in Schiedam werkt Johanna aan een variant op haar afstudeerinstallatie Vice Versa (2015) voor de Rietveld Academie. „Ik ga vragen of medewerkers van het museum regelmatig een van de schilderijen op een andere plek willen hangen.”

Zo is de samenstelling van de doeken aan de muur telkens anders. De schilderijen horen bij dezelfde serie als het werk dat ze in het Paleis op de Dam toonde bij de Koninklijke Prijs: zachtgekleurde doeken, met abstracte vormen en patronen. „Dat zijn een stuk of dertig schilderijen, daar zal ik een selectie uit maken.”

Naast haar eigen werk als schilder is Johanna op allerlei andere manieren betrokken in de kunstwereld. In 2018 gaat ze door met Emptiness and Infinite Space, de symposiumreeks voor kunstenaars en filosofen, die ze samen met filosoof Jan Bor en curatoren Marjoca de Greef en Babeth VanLoo organiseert, ook stelt ze tentoonstellingen samen, werkt ze in een galerie en geeft ze soms gastlessen. „Als ik cureer, of samenwerk met anderen, dan zijn dat voor mij altijd afgeleiden. Schilderen is altijd de basis van mijn praktijk. Alles wat ik ernaast doe, komt er automatisch bij.”

2018 wordt zeker een druk jaar. „Ik ben nog met allerlei mensen in gesprek, naast de plannen die al staan, maar nog niet alles is zo concreet.” Ambities voor 2019 zijn er ook al. „Mijn planning gaat tegenwoordig nogal ver vooruit”, zegt ze vrolijk. Het hangt er nog een beetje van af of fondsen het plan steunen, maar in 2019 wil Johanna graag terug naar Peru. „Om films te maken over het dagelijks leven. Ik wil observaties en patronen vastleggen.”

Thomas van Huut

Tentoonstelling Volkskrant Beeldende Kunst prijs 2018 3/2 t/m 15/4 in Stedelijk Museum Schiedam. Inl: stedelijkmuseumschiedam.nl

Terug

‘Zingen voelt naakt en kwetsbaar’

Foto Brendon Heinst

Klassiek: Diamanda Dramm Violiste Diamanda La Berge Dramm daagt zichzelf uit door ook te zingen. „Ik wil groeien.”

Violiste Diamanda La Berge Dramm (1991) zoekt graag grenzen op. Neem het programma waarmee ze als finaliste van de Dutch Classical Talent Award in januari en februari door Nederland toert. In een stuk van haar vader, componist David Dramm, speelt ze tegelijk viool en kickdrums. De Turkse componist Onur Türkmen schreef op haar verzoek een werk waarin ze speelt én zingt. „Het zijn allemaal manieren om mezelf te onderwijzen. Op de viool kan ik me gemakkelijker verschuilen achter techniek en virtuositeit. Vocaal kan ik dat niet. Mijn stem is wat ze is. Dat voelt naakt en kwetsbaar, maar al zingend leer ik nieuwe expressiemogelijkheden kennen die me tot een rijker musicus maken. Ik wil groeien.”

Ook op haar programma, en eind januari te beluisteren bij de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam: een gloednieuw werk van de Ier Garth Knox, voormalig altviolist van het Arditti Quartet. Dramm liep Knox tegen het lijf tijdens haar studie aan het New England Conservatory in Boston. Ze kende zijn reputatie op het gebied van moderne muziek en vroeg om les. Binnen de kortste keren was ze nauw betrokken bij het ontstaan van de cyclus Violin Spaces, voor viool solo. Na een intensieve samenwerking van zes jaar worden de stukken in 2018 eindelijk de wereld in geslingerd. „Het is een reeks viooletudes met een focus op moderne speeltechnieken. Eén deel bestaat uit louter ruisgeluiden, zoals kloppen en strijken op het hout. Toch zijn het toegankelijke, speelse stukken, de avant-garde voorbij zeg maar. Ze vormen letterlijk een speelruimte om mijn techniek en uitdrukkingskracht te vergroten.”

Of Dramm zich, gezien de hoeveelheid nieuwe noten op haar repertoire, een specialist voelt? „De hedendaagse muziek is waar ik vandaan kom. Mijn ouders zijn allebei componist, het is in zekere zin mijn thuis.” Toch zet Dramm ook graag barok op de lessenaar. „Tijdens mijn tournee speel ik de eerste Rosenkranzsonate en de Passacaglia van Biber, óók een rasstrijker die de grenzen van de viool verkende en daarom een prachtige combinatie met Knox. En ja, het is muziek die tot het ijzeren vioolrepertoire behoort, maar ik probeer haar als nieuw te benaderen.”

Precies dat vermogen om bestaande muziek als nieuw te kunnen zien, bewondert Dramm bij haar muzikale voorbeelden. Onlangs ontmoette ze de Finse violist Pekka Kuusisto: „Zoals hij Bach speelt, dat was echt een eye-opener. Hij is in staat om een partituur helemaal af te pellen en van de grond af aan zijn eigen visie op te bouwen. Waanzinnig.”

Ook zangeres-dirigent Barbara Hannigan en violiste Patricia Kopatchinskaja zijn belangrijke inspiratiebronnen, aldus Dramm. „Beiden zijn begonnen in de hedendaagse muziek en weten met het kleurenpalet en de technieken die ze daar hebben ontwikkeld ook het klassieke repertoire te verrijken. Als ik dat hoor, voel ik mezelf zoveel vrijer op het podium. Dat is echt een cadeau.”

Gevraagd naar haar toekomstdromen: „Ik heb het afgelopen jaar een videoclip gemaakt van Weberns opus 7. Ik heb toen samengewerkt met mensen uit de hiphopscene, omdat het voor mij belangrijk was om het wiel van een klassieke clip opnieuw uit te vinden. Ik zou daar wel verder in willen gaan. Hoe waanzinnig zou het zijn om een soort Lady Gaga-achtige clip te maken bij muziek van Schönberg, compleet met extravagante kostuums. De theatraliteit die daarvan uitgaat kan de muziek enorm versterken, zolang ze maar voortkomt uit iets wat al in de noten zelf besloten ligt.”

Joep Christenhusz
Terug