Neo Rauch.

Foto Jens Wolf

‘Wen er maar niet te veel aan, aan die glamour’

Neo Rauch

Uit de schilderijen van Neo Rauch spreekt een verlangen naar lang vervlogen tijden. In januari krijgt de Duitse schilder een groot overzicht in Museum de Fundatie in Zwolle. NRC zocht hem op in zijn atelier in Leipzig.

In het atelier van de Duitse schilder Neo Rauch (57), in een voormalige wolspinnerij in Leipzig, schallen gitaarklanken van Pink Floyd uit de speakers. In het midden van de ruimte staan, in een haakse hoek op elkaar, twee reusachtige doeken. Het ene is een nog vrij leeg landschap, het andere wordt al bevolkt door typisch Rauchiaanse figuren: dandy-achtige mannen die zo uit de achttiende eeuw gestapt lijken.

De schilder wijst op het gespierde bovenbeen van een van de figuren, gehuld in een in grijstinten geschilderde pantalon. „Daar heb ik de hele middag aan gewerkt. Ik was eigenlijk bezig met dat andere schilderij, maar toen zag ik uit mijn ooghoek dat er hier iets niet in orde was.” Hij gluurt langs het oppervlak van het doek. „Een compositie moet uit alle hoeken kloppen, ook al kijk je er scheef tegenaan.”

Hier, in het enorme fabriekscomplex van de Leipziger Baumwollspinnerei, werkt Neo Rauch sinds 1994 iedere dag gestaag aan zijn immense doeken. Tot een kwarteeuw geleden stonden er nog drieduizend Oost-Duitse vrouwen aan de spinmachines, nu vormen de fabriekshallen een culturele broedplaats waar zo’n honderd kunstenaars en veertien galeries onderdak hebben gevonden. Ook Rauchs vaste galerie Eigen + Art is er gevestigd. De naar schatting twintig schilderijen die de kunstenaar per jaar produceert, worden van hieruit voor vele tonnen verkocht naar musea en verzamelaars in de hele wereld.

Het Zwolse museum de Fundatie wist in 2016 voor 400.000 euro zo’n felbegeerde Neo Rauch aan te schaffen: het doek Gewitterfront (2016). Die aankoop vormde de aanleiding van de overzichtsexpositie, Dromos. Schilderijen 1993-2017, die 20 januari opent. Ruim zestig schilderijen laten de ontwikkeling van Rauchs schilderkunst zien – van de vroege, nog grafische composities in vale DDR-tinten tot de felgekleurde, lyrische doeken vol sprookjesachtige figuren.

Gewitterfront, 2016, olieverf op doek, 150 x 100 cm. Foto Uwe Walter

Wat al die werken gemeen hebben, is de dromerige, raadselachtige sfeer. Rauch gebruikt geen bestaande foto’s voor zijn schilderijen, maakt zelfs geen voorstudies. Alles wordt uit het hoofd op het doek gezet, alsof zijn penseel rechtstreeks in verbinding staat met zijn onderbewustzijn. Hij krijgt de beelden haarscherp tot zich, vertelt hij, als surrealistische dromen of visioenen. „Het zijn innerlijke beelden, die ik ontwikkel in een half-wakkere toestand. In het gunstigste geval is het idee voor een beeld zo sterk dat ik het alleen nog maar hoef te schilderen. Maar dat heb ik de laatste tijd nog maar zelden.”

Met bestaand fotomateriaal zou hij veel sneller vooruit kunnen, zegt Rauch. „Maar dan komt het niet meer uit mijzelf. Dat zou ik armoedig vinden, onsportief.” Nadeel is wel dat de inspiratie soms lang op zich laat wachten. „Soms zijn de stromen allemaal opgedroogd en scharrel ik hier rond als een hond in het zand, in de hoop een bot te vinden. Maar soms word ik ineens opgetild en meegevoerd door een vloedstroom, als een surfer.”

Om in de juiste stemming te raken, luistert hij veel naar muziek. „Als ik grote kleurvakken moet aanbrengen, zet ik opzwepende muziek op. Maar om de inspiratie te vangen, moet ik meer behoedzame klanken door de ruimte strooien. Recent heb ik ontdekt dat Bach mij daarbij helpt. Met zijn kristalheldere structuren schept hij innerlijke rust. Als ik het gevoel heb dat de inspiratie nadert en in de ruimte is, maar nog niet in mij, dan mediteer ik voor het lege doek.” Hij wijst naar het schilderij waar hij vandaag mee bezig was. „Het is een soort hemel, of een façade. Maar wat zich daar afspelen gaat, moet ik nog doorkrijgen.”

Rauch praat zacht en in mooi gecomponeerde Duitse volzinnen. Zijn archaïsche taalgebruik sluit naadloos aan bij de nostalgische sfeer die zijn werken oproepen. Hij noemt zichzelf een tijdreiziger en maakt er geen geheim van dat hij het liefst had geleefd in de tijd van de Verlichting, toen de muziek nog groots was en de architectuur imponerend. „Ik ben als schilder ten diepste romantisch gezind”, zegt hij. Die heimwee naar vervlogen tijden wordt alleen maar sterker „in het zicht van de toenemende irrationele momenten in de actuele debatten”. Anderhalf uur later, zegt hij het stelliger. Woedend is hij, op het beleid van bondskanselier Merkel, en bezorgd over de grote aantallen vluchtelingen die Duitsland zien als het land van hun toekomst.

Neo Rauch, Die Kontrolle, 2010, olieverf op doek, 300 x 420 cm. Foto Uwe Walter

In Rauchs werken uit de jaren negentig komen nog moderne flatgebouwen, helikopters en zendmasten voor, maar de laatste jaren zijn de schilderijen meer losgezongen van tijd en plaats. „Er is wel een tendens van regressie, van rugwaarts gaan”, beaamt Rauch. „Dat komt vooral door de garderobe van mijn personages. Zo haal ik ze weg uit ons tijdsbestek en breng ze in een soort kunstmatige safe room, waar mensen in dezelfde kleding tegenover ze zitten. Het is een beschermingsmechanisme voor mijn personages. Ik wil ze niet als herkenbare tijdgenoten tentoonspreiden, maar in een rustige tijdloosheid op weg helpen.”

Voor politieke interpretaties hoedt de kunstenaar zich doorgaans. „Ik maak geen politieke kunst. Die ruikt naar samenzweerderige debatten en ambitieuze propagandisten. In dat moeras begeef ik mij liever niet. Maar ik ben natuurlijk niet zo wereldvreemd dat de politieke wereld helemaal niet het atelier binnendringt. De wanden zijn altijd poreus en moeten dat ook zijn. Ik kijk iedere dag naar het nieuws. Ik lees de weekbladen. Ik weet waarvoor ik mijn werk in zekerheid moet stellen, voor welke indringers en besmettingsgevaren.”

Neue Leipziger Schule

Neo Rauch studeerde aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst, in een tijd dat Leipzig nog ver weg lag van de internationale kunstwereld. Hij kreeg er les van Arno Rink, die zijn studenten een grote liefde voor figuratieve schilderkunst bijbracht. De in Leipzig geboren schilder Max Beckmann was een van de „huisgoden” van de academie, herinnert Rauch zich, evenals Otto Dix en Lovis Corinth. Dankzij Rink ontstond er in Leipzig een nieuwe generatie figuratieve schilders, de Neue Leipziger Schule, die vanaf de jaren negentig uiterst succesvol werd en de stad eventjes tot het centrum van de kunstwereld maakte. Met Neo Rauch als de grootste ster.

Rink overleed in 2017. „Hij was mijn kunstvader”, zegt Rauch. „Een geboren schilder zoals je ze nauwelijks meer ziet. Tegenwoordig is de schilderkunst slechts een van de vele opties. Dat doet men een tijdje, en dan stapt men weer over op video of performancekunst. En alles is half-goed. Niets is werkelijk bezield of buitengewoon. Ik geloof dat de schilderkunst ziek wordt als je haar niet tot levensvervulling maakt. Ze is een humeurige heerseres, ze wil bediend worden, dag en nacht. Een leven lang.”

Neo Rauch, Der Former, 2016, olieverf op doek, 200 x 150 cm. Foto Uwe Walter

Wat er in het Westen gemaakt werd aan postmoderne kunst, drong nauwelijks door tot de academie in Leipzig. Rauch: „Ik herinner me nog levendig de diashow die een West-Duitse kunstwetenschapper gaf over de Neue Wilden. Dat was echt een eye-opener, dat er aan de andere kant van de Muur ook jonge schilders waren die figuratief werk maakten. Je kunt je nu niet meer voorstellen hoe hermetisch de DDR afgesloten was in die jaren tachtig. Er was in de bibliotheek van de academie één westers kunsttijdschrift, Art, dat van hand tot hand ging. Zo ontdekten we dat schilders als Walter Dahn en Jiri Georg Dokoupil zich ook afzetten tegen de suprematie van de conceptuele kunst en Minimal Art. De Neue Wilden duwden een deur open en lieten frisse lucht binnen. Ze gaven ons de kans om figuratief te schilderen zonder ouderwets te zijn. Wij zagen onszelf toch een beetje als de hillbilly’s van het achterland, die de aansluiting met het westerse discours niet echt konden vinden. En nu was dat ineens niet meer nodig.”

Dat de schilders van de Neue Leipziger Schule vaak in de hoek van de sociaal-realistische staatskunst geplaatst worden, is onterecht, zegt Rauch. „Het wordt vaak zo gezien, omdat wij getraind waren in de stijl van het sociaal-realisme. Maar we kregen geen politieke boodschap mee op de opleiding. Er was alleen het verzoek om een lijn toe te voegen aan de grote figuratieve schilders van het verleden. Om dat programma voort te zetten en niet op te geven.”

Lees ook de recensie van zijn expositie in Brussel, 2013: Tijdreizen met Neo Rauch

De hype rondom de Neue Leipziger Schule mag zich intussen iets genormaliseerd hebben, de druk van de kunstmarkt is nog onverminderd groot. „Ik werk hier op de derde verdieping en probeer me af te schermen van de belangen van de straat. Daar beneden is de commercie, daar zijn de galeries. Het kan zeer remmend werken als je gaat nadenken over het prijsniveau dat mijn schilderijen halen. Dan heb je het gevoel dat iedere verfstreek die ik hier zet, gelijkstaat aan een geldbedrag.”

Van de feestjes met Hollywoodsterren als Brad Pitt, die voor zijn werk in de rij stonden, heeft hij niet echt genoten, zegt Rauch. „Ik ben misschien toch iets te kleinburgerlijk om me in die grootheidswaan te kunnen verliezen. Ik heb altijd het gevoel gehad: het kan ook morgen voorbij zijn. Dus wen er maar niet te veel aan, aan die glamour.”

Treinongeluk

Dat het leven ineens over kan zijn, is een gegeven dat Neo Rauch al zijn hele leven meedraagt. Hij was vier weken oud toen zijn ouders op 15 mei 1960 stierven bij een treinongeluk in Leipzig. Hanno en Helga Rauch waren beiden student aan de Hochschule en respectievelijk 21 en 19 jaar jong. Neo groeide op bij zijn grootouders in Aschersleben. Hij heeft soms het gevoel dat hij een soort reïncarnatie is van zijn vader, zegt Rauch. „Ik heb onbewust altijd het gevoel gehad dat ik iets moest afronden wat door het noodlot vroegtijdig gestopt was.”

Neo Rauch, Vater, 2007, olieverf op doek, 200 x 150 cm. Foto Uwe Walter

Als kind werd hij omringd door de kunstwerken die zijn vader had nagelaten. „Het hoorde bij mijn alledaagse leven, bij het interieur waarin ik opgroeide, bij mijn grootouders thuis. Pas veel later, toen mijn eigen zoon 21 werd, besefte ik hoe jong mijn vader was toen hij stierf. En hoe volwassen hij al was als kunstenaar.”

In 2016 maakte Rauch een dubbeltentoonstelling van zijn eigen werk en dat van zijn vader, in de Grafikstiftung Neo Rauch die hij heeft opgericht in Aschersleben. Hij pakt het boek dat bij de tentoonstelling is verschenen. Op de kaft prijkt een houtsnede – een zelfportret van Hanno Rauch, met stoere blik en scherpe kaaklijn. „Hij moet wel een zeer zelfbewuste jongeman geweest zijn”, verzucht Rauch. Het was emotioneel, zegt hij, om de werken van zijn vader terug te zien, voor het eerst mooi belicht en ingelijst. „Vooral de serie waar hij mijn moeder geportretteerd had, vond ik zeer aangrijpend. Zo’n groot liefdespaar.”

Op de tentoonstelling in de Fundatie zal Rauch het schilderij Vater (2007) laten zien. Het is een zeldzaam autobiografisch werk, waarin een jongeman een kind met een volwassen gezicht in zijn armen draagt, als in een klassieke piëta. Wie de zoon is en wie de vader, is niet helemaal duidelijk. Maar ze troosten elkaar, zoveel is zeker.

    • Sandra Smallenburg