Overnamespecialist Christiaan de Brauw.

Foto Merlijn Doomernik

‘Nederlandse bedrijven zíjn al geweldig beschermd’

Christiaan de Brauw

Na twintig jaar als fusie- en overnameadvocaat maakt Christiaan de Brauw de balans op in een lijvig boek. „Sommige Amerikaanse beleggers vinden Nederland het evil empire.”

Zuchtend stapt Christiaan de Brauw (48) de hoogste verdieping op van het Allen & Overy-kantoor aan de Apollolaan in Amsterdam. Bij wijze van conditietraining heeft hij zijn eigen boek een paar trappen opgesjouwd. Ruim duizend pagina’s zijn het geworden, de gestolde ervaring van 20 jaar als advocaat in de wereld van grote fusies en overnames. Een naslagwerk voor Nederlandse juristen is het, maar óók een praktijkboek over stressvolle onderhandelingen, vijandige overnames en verdedigingsstrategieën.

Goed mogelijk dat het nog dit jaar toe is aan een update. Sinds AkzoNobel en Unilever vorig jaar ontsnapten aan vijandige overnames, leeft in bedrijfsleven en politiek de overtuiging dat Nederlandse multinationals betere bescherming nodig hebben tegen ongewenste kopers en activistische beleggers. De regering heeft maatregelen in beraad, zoals extra wettelijke bedenktijd van 250 dagen en protectie van bestuur en commissarissen bij een vijandelijk bod. Woensdag nog zei topadvocaat Peter Wakkie, een van de bedenkers van dit plan, in een interview met De Telegraaf dat de bescherming van Nederlandse multinationals „peanuts” is vergeleken met die in andere landen.

Maar is dat ook zo? De Brauw vindt van niet. Al in zijn eerste zaak als fusie- en overnameadvocaat – de verdediging van het Rotterdamse vastgoedbedrijf Rodamco North America tegen een ongewenste overname door het Australische Westfield – zag hij dat er in Nederland allerlei juridische mogelijkheden zijn om agressieve belagers onschadelijk te maken.

En kijk naar AkzoNobel, een zaak die De Brauw van dichtbij meemaakte als lid van het juristenteam dat de Amerikaanse belager PPG bijstond. De Amerikanen dropen na drie maanden af, moedeloos geworden door de onverzettelijkheid van het Nederlandse verfbedrijf, dat zich gesteund wist door personeel, vakbonden, politiek én een vonnis van de Ondernemingskamer. „Als een bedrijf echt geen overname wil, dan gebeurt het ook vrijwel nooit in Nederland”, zegt De Brauw. Zijn conclusie: „We hebben al het beste systeem dat er is.”

U adviseerde PPG, dat bijna 30 miljard dollar wilde betalen om AkzoNobel in te lijven. Bent u verbaasd dat de overname niet is doorgegaan?

„Een beetje wel. In mijn beleving heeft PPG steeds benadrukt dat het de Nederlandse traditie begreep. Het stakeholdersmodel dus, waarin niet alleen het belang van de aandeelhouder telt maar ook dat van bijvoorbeeld werknemers en klanten. Maar AkzoNobel wilde niet en begon een verdediging alsof het ging om een vijandig bod, inclusief de hele pr-machine. Als het personeel met petjes verschijnt op een aandeelhoudersvergadering, dan weet je: dit wordt een lastig verhaal.”

Lees meer over de onvrede van buitenlandse beleggers over de bescherming van Nederlandse bedrijven.

Wat vindt u van die strategie?

„Ach, ze hebben het effectief gedaan. En dat is ook niet zo gek. Nederland kent de beste bescherming van beursvennootschappen ter wereld, zo blijkt steeds opnieuw. Buitenlandse aandeelhouders denken vaak: wij zijn eigenaar van het bedrijf. Maar dat is hier niet zo, ze zijn eigenaar van hun aandelen. Bestuur en raad van commissarissen gaan in Nederland over strategie, zolang ze maar handelen in het belang van de vennootschap. En wat dat belang is, dat bepalen ze zelf. Ik vind dat terecht, want wat goed is voor het bedrijf, is op den duur ook goed voor werknemers, klanten én aandeelhouders.”

Je kunt ook zeggen: het wordt bestuurders en commissarissen in Nederland wel heel gemakkelijk gemaakt.

„Ze hebben inderdaad een heel machtige rol. Maar goed, die macht moet ergens liggen, en die past het beste bij de mensen die dagelijks bij de onderneming zijn betrokken. Zíj hebben de kennis. Bovendien is het geen vrijbrief om altijd maar te zeggen: we moeten zelfstandig blijven. Een overname kan natuurlijk óók in het belang zijn van het bedrijf.”

„Daarbij komt: er zijn middelen om de afweging van de bedrijfstop te toetsen. Aandeelhouders hebben het recht op verantwoording. Dat hebben we ook bij AkzoNobel gezien. En aandeelhouders kunnen naar de Ondernemingskamer stappen als ze vinden dat het bedrijfsbelang niet wordt nageleefd. Dan moet je als bestuur wel het tegendeel kunnen aantonen, op zijn minst dat je een zorgvuldige afweging hebt gemaakt. Onderschat die verantwoordelijkheid niet. Ga er maar eens zitten, in zo’n bankje tegenover de rechter.”

De activistische belegger Elliot stapte in de strijd met AkzoNobel zonder succes naar de rechter. Het fonds vond dat er ‘fundamentele aandeelhoudersrechten’ werden geschaad. Zijn die er überhaupt?

„Aandeelhouders hebben in Nederland het recht om bestuur en commissarissen te benoemen én de macht om al dan niet in te stemmen met een bod. Als beleggers nee zeggen, gaat de overname niet door.”

„Ze raken vooral gefrustreerd als het bestuur een bod afwijst. En dat is logisch: aandeelhouders vinden een overname vanwege de premie die een koper betaalt al gauw aantrekkelijk. Daar zit ook de hypocrisie van grote institutionele beleggers als BlackRock. Die topman stuurt ieder jaar een brief waarin hij hoog opgeeft van de lange termijn. Maar als er een premie op tafel ligt, doen ze gewoon mee.”

Heeft u de machtsbalans tussen bedrijfstop en aandeelhouders zien veranderen in Nederland?

„Het is vooral de perceptie die is veranderd, bijvoorbeeld bij bestuurders. In de jaren 2000 waren zij meer gericht op aandeelhouderswaarde. Neem ABN Amro, dat zijn beschermingsconstructies toen heeft afgeschaft. Nu heeft iedereen het over het ‘stakeholdermodel’. Maar juridisch is er niet zo gek veel veranderd.”

Activistische aandeelhouders lijken dat niet zomaar te accepteren.

„Dat klopt. Ik ben eens voor een zaak naar New York gegaan om het Nederlandse stakeholdermodel uit te leggen aan een groep hedgefondsmanagers. Zat ik daar in een zompig zaaltje aan 28-jarige hedgefondsmiljonairs uit te leggen hoe het bij ons werkt. Knarsentandend hoorden ze het aan. Sommigen gaven me niet eens een hand, als vertegenwoordiger van het communistische evil empire.”

Hier bestaat juist de indruk dat Amerikanen hun bedrijven beter beschermen. Advocaat Peter Wakkie noemt de Amerikaanse staat Delaware, waar de meeste beursvennootschappen gevestigd zijn, als voorbeeld. Daar kunnen bestuurders volstaan met ‘nee’ als ze een overname niet zien zitten.

„Juridisch kan dat daar inderdaad, maar de feitelijke situatie is anders. Zo moet de hele board [bestuurders én commissarissen, red.] ieder jaar door de aandeelhouders herkozen worden. Dat betekent dat je voortdurend op verkiezingscampagne bent en ga dan maar eens een aantrekkelijk bod afwijzen. Leo Strine, een rechter uit Delaware, was onlangs in Nederland. Hij zei me dat er geen vijandige biedingen meer zijn in Delaware. Ieder bod dat hoog genoeg is, gaat door.”

De Nederlandse regering wil maatregelen nemen om bedrijven beter te beschermen en de invloed van activistische beleggers te beteugelen. Terecht?

„Bestuur en commissarissen hébben al genoeg middelen om zich te verdedigen tegen ongewenste kopers en activisten. Na een zorgvuldige afweging kan het bestuur om te beginnen „nee” zeggen. Denk verder aan de responstijd van 180 dagen en aan de stichtingen waarmee bedrijven aandeelhouders en bieders buitenspel kunnen zetten. Zelfs als je die niet hebt, kun je met een beetje creatieve advocaten altijd nog wel wat verzinnen als de nood aan de man is. Zolang het maar in het belang is van de onderneming. Begrijp me niet verkeerd: ik zie mezelf als ambassadeur van het Nederlandse stakeholdermodel, maar je hoeft beleggers niet onnodig te schofferen.”

Lees ook dit eerdere achtergrondstuk: Zijn Nederlandse bedrijven wel zo slecht beschermd?
    • Joris Kooiman