Column

Mook

Mijn zwager, de man van mijn zus, werd vijftig. Het was de eerste keer dat we de oudste dochter (2) meenamen naar Limburg, de Vriendin was er weleens vaker geweest: ze herinnerde zich tenminste bezoekjes aan Maastricht en Venlo. Bij de grens stond een bord met de vriendelijke tekst ‘De Limburgers heten u welkom’.

Het zalencentrum lag aan een rotonde in Mook, we zagen mijn moeder al van ver in de vensterbank zitten.

„Ik was de eerste”, zei ze toen ze ons zag, „toen ik aankwam was er nog niemand.”

„En nu is het zaaltje vol”, constateerde ik.

Ik herkende mijn zus, het feestvarken en hun kinderen en voor de rest zag ik vooral veel mensen die ik ooit gezien moest hebben. Eentje zette drie keer haar bril voor me af. Ik moest blijven raden. Toen ze haar naam had gezegd wist ik het nog niet.

Sinds ik niet meer rook, voel ik me onthand op dit soort bijeenkomsten. Vroeger stond je dan wat afkeurend van buiten naar binnen te loeren. Nu gebruikte ik mijn kind als schild, kwam ik toch nog aan mijn gesprekjes.

Iemand zei: „Je lijkt steeds meer op je vader.”

Hoewel ik hem met terugwerkende kracht steeds meer ga waarderen vind ik dat niet meteen een compliment.

Grappig hoe mensen het eigen leven wisten te vangen in een paar woorden: „Twee kinderen, lCT, Nijmegen.”

Er zat ook een Vitesse-fan tussen, die had, zo zijn ze nu eenmaal, meer woorden nodig. Hij wilde weleens weten wat ik er nou van vond dat ‘ze’ – hij bedoelde mijn zus en haar man – hun kinderen hadden meegenomen naar NEC en PSV.

Even later vond ik mezelf terug in een kring bij het zingen van een feestlied op de melodie van We Will Rock You van Queen. Toen het klaar was ging ik naast mijn moeder in de vensterbank zitten. Ze had haar gehoorapparaat uitgezet tijdens het zingen en herinnerde zich de dag dat mijn vader vijftig werd. Met koude schotel van de slager uitgestald op de tafeltennistafel in de schuur, een versierde pop in de tuin en dat ze toen van de hele buurt een weekeindje weg naar een bungalowpark hadden gekregen, waar ik mezelf met een schep een gat in het hoofd sloeg en mijn zus werd gebeten door een paard.

Voor we wegreden wandelde ik met de dochter nog een rondje om de kerk. We bekeken een marmeren plaquette ‘ter nagedachtenis aan de kunstenaars in de regio die actief waren in het verzet 1940-1945’ en schrokken van een oude man die vanuit het niets vanachter een grafzerk omhoogkwam en keihard ‘kiekeboe’ riep. Als ze zich later iets van deze dag zou herinneren, dan dat.

schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.