Opinie

Laat Trump maar wijzen op de belangen in de klimaatwetenschap

Maar dan moet hij ook open zijn over de herkomst van zijn eigen boude uitspraken. Misha Velthuis in de vierde aflevering van de discussie over wat feiten zijn in de wetenschap.

ANP Remko de Waal

Steije Hofhuis en Maarten Boudry luiden in twee artikelen de noodklok: de wetenschap wordt van binnenuit kapot gemaakt door mensen die het bestaan van objectieve feiten in twijfel trekken. Juist in deze tijden van “alternative facts” moeten we de “postmoderne betonrot” een halt toe roepen en de “spelregels” van de wetenschap weer in ere herstellen, zo stellen ze. Hoe redelijk hun oproep misschien ook klinkt, het is juist de botte ontkenning van de complexiteit van waarheidsbevinding die ons weerloos maakt voor politieke manipulatie. Wat volgt is een pleidooi voor realisme en relativisme: om waarheden te kunnen beschermen moet je weten hoe ze tot stand komen.

Laten we simpel beginnen: sommige mensen willen gewoon onderzoek doen naar smeltende ijskappen en volgen daarbij de spelregels (onder meer over wat controleerbaar bewijs is) die binnen hun discipline gangbaar zijn. Anderen stellen de vraag: wat is dat precies, controleerbaar bewijs? Hoe komt dat tot stand? Dit lijken mij beide legitieme projecten.

De laatste groep begeeft zich echter in gevaarlijk vaarwater, want volgens welke spelregels bestudeer je de totstandkoming van spelregels? Er is hier sprake van een Droste-effect: met wat voor feiten ondersteun je een verhaal over de totstandkoming van feiten?

Volgens Hofhuis en Boudry zijn er twee manieren om hier mee om te gaan: hun eigen positie, even kort samengevat als “je moet die vragen überhaupt niet stellen: controleerbaar bewijs is gewoon bewijs dat controleerbaar is”, en het “gelegenheidsrelativisme van de postmodernistische betonrot”, kort samengevat als “het problematiseren van de totstandkoming van andermans feiten, zonder daarbij de eigen feiten net zo kritisch door te lichten”.

Hofhuis en Boudry laten zich in hun terechte ergernis over optie twee verleiden tot het anti-intellectualisme van optie één. En dat is zonde, want de keuze is niet per se tussen ‘stoppen met denken als het moeilijk wordt’ en ‘nihilisme als het uitkomt’.

Gelegenheidsrelativisme

Neem bijvoorbeeld de Franse filosoof Bruno Latour: hij wordt door Hofhuis en Boudry beschimpt als aanstichter van het gelegenheidsrelativisme, maar ik zou hier graag willen betogen dat hij (één van de vele auteurs is die) daar juist een uitweg uit biedt. Het is niet moeilijk om zijn werk met een aantal uit hun verband gerukte citaten te karikaturiseren - iets waar Hofhuis en Boudry enkele makkelijke punten mee scoren - maar wat zegt hij nou eigenlijk? Hoe komen feiten volgens hem tot stand, en hoe gaan antropologen als hij met dat bovengenoemde Droste-effect om?

Een wetenschappelijk feit, zo stelt Latour, is lang niet zo vanzelfsprekend als we denken. In de jaren tachtig trok hij, gewapend met een blocnote en een potlood, geheel volgens de spelregels van de etnografie, als antropoloog een Amerikaans laboratorium in. Hij vulde zijn notitieboekjes vervolgens met allerlei - veelal controleerbare - observaties van wetenschappers: wat doen ze, wat zeggen ze, wat voor apparaten gebruiken ze? Op basis van die data kwam hij tot de conclusie dat een wetenschappelijk feit een “construct” is: het gevolg van de samenkomst van mensen, met hun ideeën, taal, emoties, politiek, maar ook van microben, instrumenten, proefopstellingen en computers. Samen vormen deze ‘actoren’ allerlei ‘trials’ (tests) waarin de houdbaarheid van bepaalde representaties (ideeën) wordt beproefd. Sommige van die representaties doorstaan de tests en worden ‘feiten’.

De kracht van het wetenschappelijke laboratorium zit volgens Latour in het ongekende succes waarmee de wetenschap al deze dingen op verschillende plekken en momenten gelijk weet te trekken. Dat is wat bewijs controleerbaar maakt: een gecontroleerde (experimentele) omgeving, die er toe leidt dat iemand anders op een andere plek, op een ander moment, tot soortgelijke inzichten komt. Het universalisme van de natuurwetenschappen - het idee dat sommige dingen overal ‘waar’ zijn - is in dit opzicht het resultaat van eeuwenlang geploeter om laboratoria (spelregels, taal, standaarden, meetinstrumenten, handelingen, procedures etc.) gelijk te trekken. Toegegeven, het lukt nooit helemaal, maar het lab is één van meest ‘universele’ plekken die we hebben.

Sjamaan

Tot zover klinkt het misschien allemaal vrij onschuldig. Maar Latour maakt het nog wel iets bonter. De feiten van de wetenschap, zegt hij, zijn niet per se meer ‘waar’ dan die van bijvoorbeeld een sjamaan. Als die laatste er in zijn eigen dorp consequent in slaagt om met een ingewikkeld ritueel kwade geesten te verdrijven, en dat ieder jaar weer aan al zijn dorpsgenoten bewijst, heeft hij ook een (lokaal) stabiel feit. Wat de wetenschap echter onderscheidt, is dat het de voorwaarden voor de repliceerbaarheid van haar feiten ongekend succesvol ver heeft uitgerold. Tot ver buiten haar ‘dorp’.

Niets menselijks is de wetenschap vreemd, dus die uitrol ging de afgelopen eeuwen gepaard met veel geweld en onderdrukking. Maar het heeft ons uiteindelijk ook van alles gebracht: als ik op vakantie ga neem ik liever een injectie tegen hepatitis dan de kruidenmix van de sjamaan (alhoewel dat laatste misschien in zijn dorp best een goede aanvulling zou kunnen zijn).

Een realistisch beeld van de wetenschappelijke praktijk, dat is dus de inzet van Latours (vroege) werk. Maar hoe zit het dan met dat Droste-effect? Maken antropologen als Latour zich schuldig aan gelegenheidsrelativisme, waarin ze andermans feiten problematiseren maar hun eigen feiten voor lief nemen? Gelukkig zijn antropologen over het algemeen juist enorme navelstaarders: hun tijdschriften staan vol met methodologische zelfreflectie. Ook Latour heeft allerlei uitgesproken ideeën over hoe je als etnograaf je feiten moet bouwen. Toch blijft de vraag: zou je dan niet ook de totstandkoming van die spelregels moeten bestuderen?

Het lijkt erop dat we nog steeds vastzitten in dat Droste-blik. Maar we hoeven niet helemaal door te draaien. De filosoof Otto Neurath biedt ons bijvoorbeeld de volgende beroemde uitweg: je kunt het stelsel van wetenschappelijke spelregels en kennis zien als een boot: we dobberen op de open zee, en er is in de verste verte geen land in zicht. Je kan zo nu en dan wel een plank loswrikken, bestuderen en eventueel vervangen, mits je daarbij de andere planken laat zitten. Als je dit maar vaak genoeg doet kun je het schip behoorlijk verbouwen, maar als je in één keer het halve schip los trekt dan zink je naar de bodem. Kortom, om de ene spelregel te bestuderen moet je tijdelijk een beroep doen op een andere spelregel: je kan in principe elke spelregel in twijfel trekken, maar je kan daarbij dus niet zomaar alles zeggen.

De vraag is dan: hoe moet ons schip eruit zien? Hoe willen we de spelregels voor onze waarheidsbevinding vormgeven? Het mag duidelijk zijn dat een dergelijke vraag in de wereld van Hofhuis en Boudry nooit gesteld had kunnen worden: zij zijn überhaupt niet bereid na te denken over de totstandkoming van spelregels. Toch is dit de cruciale vraag die we de komende jaren met ons allen moeten gaan beantwoorden: stappen we in het bootje van Trump en Poetin? Of zoeken we ons heil ergens anders?

Hofhuis en Boudry vinden hier in Latour een ongemakkelijke bondgenoot: ook hij pleit namelijk voor de wetenschap. Maar dan wel eentje die zelfbewust en transparant is over haar eigen waarheidsbevinding. Goed, laat Trump maar benadrukken dat er belangen spelen in de klimaatwetenschap: open kaart. Maar dan moet hij met eenzelfde openheid en kwetsbaarheid laten zien hoe hij tot al zijn eigen boude uitspraken komt. Vervolgens kunnen we samen uitzoeken door welke ‘feiten’ we ons laten leiden.

Misha Velthuis is aardwetenschapper. Hij doceert aan de UvA en promoveert in ontwikkelingsstudies aan de School of Oriental and African Studies in Londen.