Klein wonder: biologische aardappelen

Biologische tuinbouw De eerste ziekteresistente bio-aardappelen zijn te koop. Als het aan veredelaar Edith Lammerts van Bueren ligt, volgen er nog vele biologische rassen.

Lammerts van Bueren: „Als een duurzamer aardappelras niet verkoopt, heeft het weinig zin eraan te beginnen.” Foto Kees van de Veen

Natuurvoedingszaken en supermarkten verkopen steeds meer biologisch geproduceerde aardappelen die niet ziek worden van de schadelijke schimmel Phytophthora. Zonder deze nieuwe aardappel zouden bio-aardappelen het in het natte Nederland niet meer redden, zo schadelijk is deze ziekte inmiddels geworden. Consumenten die de aardappelen kopen (bij supermarkten zijn ze per kilo zo’n 25 eurocent duurder) dragen bij aan schoner water, een vruchtbaardere bodem en meer natuur. Boeren hoeven dan immers minder te spuiten.

Dat er zoveel Phytophthora-resistente bio-aardappelen zijn, is voor een belangrijk deel te danken aan biologisch veredelaar Edith Lammerts van Bueren. Haar veredelingsprogramma Bioimpuls, met Nederlandse aardappelkweekbedrijven en boerenkwekers, heeft afgelopen decennium de basis gelegd voor een palet aan resistente rassen. Daardoor kon ze deze herfst, samen met biologischelandbouwkoepel Bionext, de Nederlandse supermarkten, een aantal pootgoedbedrijven en bio-organisaties het convenant ‘Robuuste aardappelrassen’ laten ondertekenen. Het doel? In 2020 álle biologische aardappelrassen resistent hebben tegen de ziekte Phytophthora. „De supermarkten gaan in hun schap nu voorrang geven aan aardappelen van deze resistente rassen”, vertelt ze op haar kamer bij Wageningen University.

Antroposofie

In december nam Edith Lammerts van Bueren afscheid als onderzoeksleider bij het Louis Bolk Instituut, en als hoogleraar biologische plantenveredeling, waar ze een aanpak voor biologische veredeling ontwikkelde.

Het Louis Bolk Instituut, in 1976 opgericht vanuit de antroposofie, ondersteunt boeren op een holistische wijze. De projecten hebben veel aandacht voor duurzaamheid, biodiversiteit, bodemvruchtbaarheid en goede arbeidsomstandigheden. Als hoogleraar (voor één dag per week) wist Lammerts van Bueren deze bij Wageningen University lang omstreden, holistische denk- en werkwijze te introduceren. Ze zette er een programma groene veredeling op.

Hierbinnen werken de biologische veredelaars met veertien bedrijven – waaronder multinationals Bayer en Syngenta – aan allerlei gewassen, zoals spinazie dat met minder mest toe kan, kalktolerante lupine en ziekteresistente uien. De rassen moeten sterk én duurzaam zijn. Bijvoorbeeld: klaverrassen die bijen aantrekken, geen last hebben van de opwarming, goed stikstof opnemen, de bodem verbeteren én gezonder zijn.

„Wij doen meer dan eigenschappen als ziekteresistenties inkruisen”, zo licht Lammerts van Bueren de systeembenadering toe. „We kijken ook naar de maatschappij. Als de detailhandel een duurzamer aardappelras – of pastinaak, of lupine – niet afneemt, heeft het voor veredelaars en telers weinig zin hieraan te beginnen. Daarom heb ik me ook zo ingezet voor het convenant ‘Robuuste aardappelen’. Iemand moet hierin de regie nemen.”

Bijna al het voedsel in de wereld komt van 30 plantensoorten, terwijl er zeker 30.000 eetbare plantensoorten bekend zijn. Bij de biologische veredeling hoort ook meer diversiteit aan rassen en gewassen in een veld. Dat heeft voordelen. Telers hebben bijvoorbeeld minder mest nodig als ze hun aardappelteelt vaker afwisselen met haver, kool of een groenbemester (planten die worden ondergeploegd om de grond te verbeteren). Ook is minder mest nodig als ze aardappelrassen verbouwen die minder stikstof nodig hebben. Dit blijkt per ras nogal te schelen.

Nieks Witte

Gangbare veredelingsbedrijven zijn niet meer gewend telers in te zetten voor selectie, met uitzondering van de Nederlandse aardappelkweekbedrijven. Lammerts van Bueren bouwt graag voort op die typisch Nederlandse traditie van aardappelhobbykwekers. Het eerste resistente aardappelras dat op de markt kwam, in 2007, werd ‘Nieks Witte’ genoemd, naar biologische teler Niek Vos uit Kraggenberg. Hij ontwikkelde dit ras met kweekbedrijf Meijer. Via het aardappelprogramma dat Lammerts van Bueren daarna ontwikkelde, leveren kennisinstellingen nu ‘ruw’ zaad met ingekruiste resistentiegenen van wilde soorten uit de Andes aan aardappelbedrijven. Die kruisen en selecteren dit verder, en wisselen materiaal en kennis uit met inmiddels twaalf hiervoor opgeleide boerenkwekers.

Boerenkwekers kunnen zo met eigen wensen komen. Eentje wilde bijvoorbeeld graag een kruising met schurftresistentie testen, omdat hij er in zijn bodem bij Oudebildtzijl zo’n last van heeft. Bedrijf en boerenkweker delen ook de winst uit de kwekersrechten, die kan oplopen tot honderden euro’s per jaar per ras.

Volgens Lammerts van Bueren moet elk gewas een eigen organisatie- en verdienmodel krijgen, om het veredelen betaalbaar te houden. „We ontwikkelen nu ook een model voor baktarweveredeling, met molenaars, bakkers en veredelaars. Twintig jaar is in Nederland niks aan baktarwe gedaan. We hebben uitgerekend dat het programma uit kan als er op elk biologisch brood een halve cent opslag komt voor de veredeling.”

Bij baktarwe lijken langere stengels soelaas te bieden. „De huidige tarwe met korte stengel is veel schimmelgevoeliger dan tarwe met een lange stengel, zoals boeren die vroeger teelden. Met een lange stengel drogen de aren beter in de wind. Bovendien kunnen bioveehouders die langere stengels (stro) goed gebruiken om organisch compost te maken, én langere stengels zorgen voor meer schaduw, wat onkruid onderdrukt.”