Het Wilde Westentijdperk op internet loopt ten einde

Internetbedrijven Na een jaar vol nepnieuws en beïnvloeding proberen overheden de grote internetbedrijven te beteugelen.

Sean Edgett (links), van Twitter, Colin Stretch (midden), van Facebook, en Kent Walker (rechts) van Google Inc, leggen een eed af voorafgaand aan hun getuigenis over de Russische propaganda op hun platformen Foto Shawn Thew

Bijna dagelijks kwamen grote internetbedrijven als Facebook en Alphabet, het moederbedrijf van Google, negatief in het nieuws. De organisaties bleken vehikels voor nepnieuws, filterbubbels, bedreigingen, seksuele intimidatie, Russische beïnvloedingscampagnes, trollen van politieke partijen, gelivestreamde moord en terreurpropaganda. Ze hebben - alsof het voorgaande niet genoeg is - ook nog eens nauwelijks belasting betaald.

Zelden kreeg een industrie zulke slechte pr. Wat voorspelt dat voor 2018?

Alles wijst erop dat het Wilde Westentijdperk voor internetbedrijven langzaam maar zeker ten einde komt. Het vrije internet blijkt te vaak een voedingsbodem voor de minder sierlijke kanten van de menselijke natuur. Doodsbedreigingen op Twitter, gruwelijke zelfmoordtekenfilms op YouTube Kids, bedrijven wier naam naast IS-filmpjes of de verkrachtingsfantasiën van GeenStijl-reaguurders staan - het jaagt gebruikers en adverteerders weg.

Beïnvloedingscampagne

De Amerikaanse verkiezingen van 2016 vormden het keerpunt. Kiezers bleken bloot te hebben gestaan aan een grootschalige beïnvloedingscampagne door Russische trollen en een nepnieuwsepidemie. Verhalen als „Clinton verkocht wapens aan IS” werden vaker gedeeld dan de twintig best presterende berichten van journalistieke media - gefaciliteerd door de grote internetbedrijven. Eind 2018 gaan Amerikanen weer naar de stembus, voor het Congres. De veiligheidsdiensten, de overheid, maar ook bedrijven als Facebook en Google, zullen hun best doen de excessen van 2016 te voorkomen.

Dat betekent: meer (zelf)regulering. Er is wetgeving in de maak die het plaatsen van politieke advertenties op sociale media transparanter moet maken. Tegelijk nemen Facebook en Google sinds het debacle van 2016 enorme aantallen werknemers aan wiens taak het is ongewenste berichten te verwijderen. Slagen de bedrijven daar na alle maatregelen nog niet in, dan moet de overheid ingrijpen, meent menig Amerikaans beleidsmaker.

Europa loopt daarin voorop. Sinds 1 januari is in Duitsland een wet van kracht waarmee sociale media een boete van maximaal 50 miljoen euro kunnen krijgen als ze haatzaaiende en tot geweld aanzettende berichten niet verwijderen. Andere EU-landen overwegen vergelijkbare wetgeving. De Europese Commissie heeft gezegd in 2018 met nieuwe regels te komen als blijkt dat techbedrijven niet voldoende maatregelen hebben getroffen tegen extremistische berichten.

Minstens zo ingrijpend is de nieuwe Europese privacywetgeving die eind mei 2018 ingaat. EU-inwoners hebben vanaf dat moment onder meer het recht organisaties te vragen hun persoonsgegevens te verwijderen. Ook moet explicieter om toestemming worden gevraagd voor het verzamelen daarvan. Bedrijven die niet aan de wet voldoen kunnen forse boetes krijgen.

Die ontwikkelingen zullen volgend jaar onvermijdelijk tot een discussie leiden over de grenzen van de vrije meningsuiting. Vrije woord-adepten als Leon de Winter zien in de strengere regels een complot van ‘de elite’ die erop uit is onwelgevallige meningen te beperken. Andere critici waarschuwen tegen de ‘balkanisering van het internet’, nu elke regio kiest voor zijn eigen setje internetregels. Het is moeilijk te zien hoe dat een van de oudste idealen van het wereldwijde web verder helpt: de onbeperkte verspreiding van meningen en ideeën.

    • Reinier Kist