Symfonie met gabbermuziek als ode aan Rotterdam

Interview In een symfonie met elementen van gabber en voetballiederen brengt componist en metalgitarist Florian Magnus Maier een ode aan de „eclectische” stad Rotterdam.

Componist en metalgitarist Florian Magnus Maier: „Dat ik stijlen durf te mixen heb ik geheel aan Rotterdam te danken”. Foto Brinks Artists

Componist en metalgitarist Florian Magnus Maier (1973) heeft een nieuw werk geschreven voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest, dat dit jaar zijn honderdjarig bestaan viert. Maiers Rotterdam gaat in première tijdens de nieuwjaarsconcerten op 5 en 7 januari in De Doelen.

Wat betekent Rotterdam voor u?

„Hier begon mijn leven als muzikant. Ik ben opgegroeid in een provinciestadje in Beieren en kwam in 1994 naar Rotterdam om flamencogitaar te studeren bij Paco Peña. Ik weet nog goed dat ik voor het eerst in het conservatorium was en dat uit ieder lokaal een ander soort muziek klonk, van Indiaas en latin tot jazz en klassiek. Daar was ik enorm van onder de indruk. De compositieopleiding gaf me alle mogelijkheden om verschillende stijlen te verkennen, zonder beperkingen op te leggen. Dat eclectische past heel goed bij mij. De muziekscene van Rotterdam is net als de stad een smeltkroes, je kunt het zo gek niet bedenken of het gebeurt hier, en dat zorgt voor een klimaat waarin je voelt dat alles kan. Die rijkdom is mijn grootste inspiratiebron. Mijn muziek heeft altijd iets van een cross-over, en dat ik al die stijlen durf te mixen heb ik geheel aan Rotterdam te danken. Officieel ben ik nog steeds een buitenlander, maar ik voel me Rotterdammer en als componist ben ik absoluut een kind van de stad.”

Gabber was heel populair toen ik begin jaren 90 in Rotterdam kwam wonen

Werkte u al eerder samen met het RPhO?

„Ik heb niet eerder voor het orkest als zodanig geschreven, maar wél voor veel van de musici, omdat die ook in andere ensembles spelen, zoals het Doelenensemble, Domestica Rotterdam, RPhO Low Brass, enzovoort. Onder Gergiev speelde het orkest in mijn beleving nauwelijks nieuwe muziek, maar daar is gelukkig verandering in gekomen. Het is een fantastisch orkest, en via die ensembles zitten er zoveel nieuwemuziekspecialisten in dat je van het RPhO in een handomdraai het beste nieuwemuziekorkest ter wereld van zou kunnen maken. Ik wil het orkest met dit stuk echt vieren en alle secties in de spotlights zetten, en ik hoop dat je daarbij ook de individuele musici zult kunnen identificeren.”

Uw stuk bevat gabberhouse en voetballiederen – dat is zacht gezegd ongewoon voor een symfonisch werk.

„Gabber was heel populair toen ik begin jaren 90 in Rotterdam kwam wonen, dat hoorde je indertijd overal. Geen genre staat verder af van symfonische muziek en ik vroeg me af of ik uit een orkest ook zo’n bruut gabbergeluid zou kunnen halen. Toen ik die passage gecomponeerd had viel alles op zijn plek. De gabber vormt een natuurlijke climax, van daaruit heb ik achteruit gewerkt en muziek geschreven die als het ware om gabber vráágt.

„En voetbal is een onlosmakelijk deel van Rotterdam. Ik heb de clubliederen van de drie Rotterdamse Eredivisieclubs over elkaar heen gelegd, in de hoop dat er iets abstracts zou ontstaan. Maar tot mijn verbazing lijken die liederen zó erg op elkaar dat ze klonken als verschillende stemmen van hetzelfde lied. Dat was natuurlijk niet wat ik wilde, dus heb ik net zolang geschoven tot de herkomst onherkenbaar was. Bij iedere herhaling wordt het materiaal iets herkenbaarder en pas aan het einde hoor je waarnaar je eigenlijk hebt zitten luisteren. Ik moest daar zelf erg om lachen en ik vermoed dat de Rotterdammers in de zaal die grap ook wel zullen kunnen waarderen.”

    • Joep Stapel