Foto Merlijn Doomernik

‘We moeten nu echt uit de slachtofferrol proberen te komen’

Lody van de Kamp is rabbijn en organiseert gesprekken tussen Joden en moslims. „We moeten nu echt uit de slachtoffer-rol proberen te komen.”

Als rabbijn Lody van de Kamp aan een schoolklas op het orthodox joodse Cheider in Amsterdam vraagt wat een moslim is, is het antwoord doorgaans: ‘dat zijn mensen die ons haten’. „Dat is het beeld dat die kinderen meekrijgen vanuit de gemeenschap”, zegt Van de Kamp. Ze zien de gewapende marechaussee bij de ingang van hun school, ze horen over antisemitisme en aanslagen door moslims. „Weet je hoe veel moslims er in deze stad wonen?”, vraagt Van de Kamp meestal terug aan de klas. „Honderdvierduizend. Denk jij nou echt dat je honderdvierduizend vijanden hebt?”

„Bent u jood?”, vraagt het moslim-meisje bij wie Van de Kamp ook op school langskomt, kijkend naar zijn keppeltje. „Haat u mij dan niet?”

Een rabbijn in de moskee. Het klinkt als het begin van een flauwe grap, maar voor Lody van de Kamp (69) is het niets bijzonders. De orthodox-joodse rabbijn brengt daar waar conflicten zijn tussen Joden en moslims het gesprek op gang. Samen met jongerenwerker Saïd Bensellam gaat hij nu al jaren langs scholen en buurthuizen in Amsterdam om de dialoog tussen de twee gemeenschappen aan te wakkeren. Eind vorig jaar hield hij in het kader van die verbinding een preek in de Haagse As Soenah-moskee, die afgelopen zomer uit anti-islamitische hoek bedreigd werd met een aanslag. Eigenlijk vindt hij het maar raar, zegt hij, dat journalisten bellen als ze horen dat een rabbijn in de moskee gaat preken. „Dat zouden we allemaal hartstikke gewoon moeten vinden.” Maar toch vinden we dat niet.

Zijn vader overleefde Auschwitz

Van de Kamp is kind van een vader die Auschwitz overleefde en een moeder die tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken zat. Hij is opgeleid als rabbijn en als ritueel slachter, auteur van verschillende boeken over de Holocaust. Niet de eerste persoon, kortom, bij wie je een kritische blik op de Joodse gemeenschap zou verwachten. Toch heeft hij die wel degelijk. „We zitten vast in een slachtofferrol”, zegt hij. Binnen de Joodse gemeenschap wordt volgens Van de Kamp veel gepraat over antisemitisme, over aanslagen en terreur, en daarvoor wordt allemaal gewezen naar de moslimgemeenschap – zonder dat er eigenlijk ooit met moslims wordt gepraat.

104.000 vijanden in één stad? Dat kan niet

Als voorbeeld geeft Van de Kamp een brief die de Liberaal Joodse Gemeenschap in november stuurde naar de Tweede Kamer. Daarin schrijven ze dat Jodenhaat steeds meer „salonfähig” wordt in Nederland en dat er sprake is van een „gevaarlijke tendens” die doet denken aan de jaren dertig van de vorige eeuw. „Twee dagen nadat die brief verzonden was, werd in Amsterdam West een avond georganiseerd over islamofobie en antisemitisme. Er zaten honderdvijftig mensen in de zaal. Daarvan waren er twee Joods: ik en Natascha van Weezel (ook schrijver, red.).”

Door zich niet te verdiepen in de moslimgemeenschap, blijft het voor joden makkelijk om het vijandbeeld in stand te houden, zegt Van de Kamp. „We omringen ons graag met beveiligingshuisjes, maar vragen ons nooit af: hoe komen we weer van die dingen af? Wat als we die vermeende vijand eens aanspreken?” Voor Van de Kamp is het simpel: het enige gevaar is terreur, en dat kan van alle kanten komen. „Daar heeft de Turkse groenteman op de hoek niets mee te maken.”

Foto Merlijn Doomernik

Neem de aanslag op het koosjere restaurant op de Amstelveenseweg in Amsterdam, afgelopen maand. „Wat mij betreft zie je daar weer die typische vermenging tussen terrorismedreiging en antisemitisme.” Een man gehuld in de Palestijnse vlag sloeg met een knuppel de ruiten van de winkel in. Van de Kamp: „Vervolgens hoor je vanuit het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël, red.) weer van alles over antisemitisme dat toeneemt en beveiliging die moet worden opgeschroefd.” Terwijl daar helemaal geen aanleiding toe is, zegt Van de Kamp. „We weten niets van de motieven van de dader. Het is een vluchteling uit Syrië, misschien wel getraumatiseerd. Dat moet allemaal tijdens het juridische proces blijken.” Lief hoor, vindt hij, dat minister Grapperhaus een paar dagen na het incident aanwezig was bij de Chanoeka viering in Amsterdam. „Maar zo bevestig je toch vooral richting de Joodse gemeenschap: kijk eens hoe erg het allemaal is, kijk eens hoe zeer jullie beveiligd moeten worden.”

De reden voor de geslotenheid richting moslims en voor het hameren op beveiliging is volgens Van de Kamp dat de rol van slachtoffer enigszins comfortabel aanvoelt. „Het is veilig en makkelijk om altijd maar naar anderen te kunnen wijzen.” Onbewust wordt die rol daarom door de Joodse gemeenschap gekoesterd en gevoed, denkt Van de Kamp.

Zo’n slachtoffer-rol vindt hij trouwens ook weleens terug bij de moslimjongeren die hij spreekt. „Die denken dat niemand ze wil hebben, dat het toch niet gaat lukken.” Maar van hen begrijpt hij het beter. „Zij hebben daadwerkelijk een sociale en maatschappelijke achterstand. Als hun naam boven een stage-aanvraag staat, hebben ze minder kans om op gesprek te komen.” Is de slachtofferrol bij Joden – gezien bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog – dan niet ook te begrijpen? „Dat is onze geschiedenis. Maar daar moeten we nu echt uit proberen te komen.”

Joods-christelijke samenleving? „Tot ver in de negentiende eeuw mochten Joden hier bijna niets.”

Nee, Joden zouden moeten ophouden met angstig wijzen naar de ander, en het juist op zich moeten nemen nieuwkomers te helpen. „Wij weten als geen ander hoe het is om te moeten vluchten en vreemd te zijn in een samenleving.” De islamitische gemeenschap bestaat nog maar een jaar of vijftig in Nederland, zegt Van de Kamp, en is bovendien sterk versnipperd in groeperingen: van Somaliërs tot Irakezen. De Joodse gemeenschap is inmiddels wel goed georganiseerd – „misschien een beetje overgeorganiseerd” – en kan de islamitische gemeenschap prima op sleeptouw nemen, denkt Van de Kamp.

Lidmaatschap CDA opgezegd

Tot twee maanden geleden was hij zelf nog lid van een politieke partij, het CDA. Van de Kamp was jarenlang actief als gemeenteraadslid in Amsterdam-Zuid. Maar na twintig jaar zegde hij in oktober zijn lidmaatschap van de partij op, vanwege de Schoo-lezing die partijleider Sybrand Buma in september hield. Daarin had hij het over de ‘joods-christelijke samenleving’, waarin nieuwkomers zo snel mogelijk zouden moeten integreren. „Alsof moslims zich maar aan moeten passen”, zegt Van de Kamp. „Daaronder ligt de boodschap: die vreemdelingen moeten we hier niet.”

Van de Kamp heeft sowieso problemen met het idee van een ‘joods-christelijke samenleving’, zegt hij. „Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw mochten Joden hier bijna niets. Zo’n veertig jaar later begon de Tweede Wereldoorlog. Daarna kwam maar een klein deel van de Joodse gemeenschap terug. En nu mogen wij zeker even komen opdraven om samen met de christenen de moslims uit te gaan sluiten?” Van de Kamp dacht het niet.

Vorig jaar verscheen een boek over de geschiedenis van de Joden in Nederland. Lees hier de recensie die NRC schreef.

Inmiddels is Van de Kamp in navolging van zijn bezoek aan de As Soenah moskee met de gemeente Den Haag in gesprek over eenzelfde aanpak als in Amsterdam: langs gaan op plaatsen waar de dialoog tussen moslims en Joden een handje geholpen kan worden – in de Schilderswijk bijvoorbeeld, of in Transvaal. Hoe waren de reacties eigenlijk op zijn bezoek aan de As Soenah-moskee? „Veel kritiek, natuurlijk.” Van collega-rabbijnen, mede-synagogegangers. „Die vroegen: dat zijn toch salafisten, in die moskee? Dat zijn toch onze vijanden?”

Op sociale media regende het reacties – ook negatieve. Maar als hij daar dan staat in die As Soenah moskee, kijkend naar de mensen die op zijn preek af zijn gekomen, dan ziet hij Joden zitten naast Marokkaanse jongens „waarvoor ze in Buitenveldert de straat zouden oversteken” en mensen die elkaar anders nooit zouden ontmoeten een gesprek voeren. En ja, dan is hij toch hoopvol.

    • Doortje Smithuijsen