Zwaar oogletsel, een hoofdwond én zerochampagne op de Spoedeisende hulp

Spoedeisende hulp in Deventer

Terwijl gewonden deze Nieuwjaarsnacht op de Spoedeisende hulp in Deventer worden binnengebracht, is er ook nog tijd voor zerochampagne en oliebollen. Agressie tegen hulpverleners? „Dat is vooral een randstedelijk probleem.”

Personeel van de Spoedeisende hulp en familie steken sterretjes aan met uitzicht op het vuurwerk in Deventer. Foto Gino Kleisen

Het is kort voor middernacht als een jonge varkenshouder uit het buitengebied van Deventer de afdeling Spoedeisende hulp van het plaatselijke ziekenhuis verlaat. Hij ziet nog altijd bleek van schrik. De aarde van het weiland waarin hij eerder op de avond met een vriend carbid heeft staan schieten, zit nog aan zijn zwarte werkschoenen met stalen neuzen. De steekvlam die vrijkwam uit de melkbus heeft het gelaat van zijn maat geschampt. Die loopt, op zijn sokken, richting de uitgang. Vloekend bedekt hij zijn rechter slaap met een natte lap. „Wat een klotenzooi.” Zijn moeder heeft zijn doorweekte schoenen in haar hand. Samen verdwijnen ze in de druilerige Overijsselse nacht.

Binnen zet een verpleegkundige intussen plastic champagneglazen klaar in de koffiekamer. Minke Twijnstra (43) – de enig aanwezige spoedarts – en een handvol arts-assistenten en verpleegkundigen verzamelen zich rond de televisie. Wanneer op het scherm de laatste seconde van 2017 wegtikt, doen de kurken van de zerochampagne het witte systeemplafond trillen.

Ziekenhuis- en ambulancepersoneel wenst elkaar de beste wensen Gino Kleisen

Het platte dak van ‘het Deventer Ziekenhuis’ biedt het proostende medisch personeel vervolgens een adembenemend uitzicht over de stad aan de IJssel. De skyline wordt voor tonnen aan vuurwerk verlicht. „Ja, dat is hier ieder jaar prima verzorgd”, zegt een ervaren verpleegkundige lachend.

Lees ook ons nieuwsbericht over de incidenten tijdens Oud en Nieuw: Jaarwisseling rustiger verlopen dan vorig jaar

Onderzoek Leidse universiteit

Op de in 2008 volledig nieuw opgeleverde afdeling Spoedeisende hulp (SEH) heerst totale rust. Van de agressie zoals die door veel personeel op spoedafdelingen in het land wordt ervaren, zoals recentelijk onderzoek van de Universiteit Leiden uitwees, is hier niets te merken. Twijnstra: „Eigenlijk bijna nooit. Dat is volgens mij vooral een randstedelijk probleem.” Ruth Bruin (54), hoofd van de verpleging, knikt. „De mensen hier zijn over het algemeen heel vriendelijk en dankbaar.” Hun aanwezige collega’s denken er net zo over.

Het door de Leidse onderzoekers beschreven symptoom dat personeel op de spoedafdelingen vaker dan collega’s geneigd is patiënten op een cynische manier te omschrijven, roept wel enige herkenning op. Twijnstra: „Ik zeg ook wel eens: ‘Ga jij naar die appendix, dan doe ik die hersenbloeding.’” Ze haalt haar schouders op. „Het gebeurt voornamelijk in de haast en drukte waarin we hier soms werken.”

Die bijzondere setting levert in ieder geval één karakteristiek personeelsspel op in Deventer tijdens de jaarwisseling: het schatten van het alcoholpromillage van binnengebrachte patiënten. Bruin: „Hilde denkt 3,1. Ik schat 2.9. Wat denk jij Minke?”

Andere sfeer bij komst ambulance

Het is vijf over half één als in de meldkamer het bericht binnenkomt van een volgende ambulance. Een man met een verdenking van zwaar oogletsel door vuurwerk is aanstaande. Een bal siervuurwerk uit een zogenaamde cakebox heeft zich op volle snelheid in het rechteroog geboord. De sfeer op de afdeling switcht op slag van informeel naar zakelijk. Twijnstra, voormalig rugbyinternational: „Is de oogarts al gebeld? Dit klinkt niet goed.”

Die inschatting blijkt juist. Twijnstra schudt na een eerste inspectie het hoofd. „Ik vrees dat het oog niet te redden is.” Het definitieve oordeel is aan de oogarts, die kort daarna arriveert. Een arts-assistent vult ondertussen een formulier in voor VeiligheidNL: ‘Vuurwerkslachtoffers SEH-afdeling’. Zo probeert de stichting meer inzicht te krijgen in letsel dat ontstaat door vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Uit de koffiekamer komt vrolijker nieuws: „Jongens, er zijn nog oliebollen. Iemand?”

Na half drie meer patiënten

Vanaf half drie neemt de stroom patiënten gestaag toe. Onder hen een oude vrouw die van de trap is gevallen toen ze op weg was naar de keuken voor, zoals ze zelf zegt, „een nachtelijk blokje kaas”. Haar avontuur eindigt onder de CT-scan. Daarna volgt een ambulance met een twintiger met een forse hoofdwond in de vorm van een brievenbusgleuf. Met dubbele tong vertelt hij op straat in elkaar te zijn geslagen.

En er is Henk van Gijn. Hij wordt door een ambulancebroeder in een rolstoel binnengereden en groet het personeel allervriendelijkst. „Gelukkig nieuwjaar allemaal!”. Van Gijn blijkt bovendien jarig te zijn („65!”). Hij heeft naar eigen zeggen „een paar pilsjes” gedronken met een buurvrouw en is vervolgens ten val gekomen op weg naar huis. Zijn lip ligt open en zijn schouder doet pijn. Toch vertelt hij zijn verhaal opgewekt. Tegen de fotograaf: „Kom er maar bij hoor, voor een mooie verjaardagsfoto.”

Arts Minke Twijnstra bij het bed met Henk van Gijn, die een nacht in het ziekenhuis moet doorbrengen. Gino Kleisen

Van Gijn is door een buurman gevonden op zijn eigen tuinpad. „Die zei tegen me: ‘Henk, wat doe je daar nou?’ Dat was wel een goeie vraag want dat wist ik zelf ook niet.” Hij lacht. „Dat heb ik gewoon soms, dat ik opeens omval.” Zijn bovenlip bloedt nog altijd. „Ik hoop wel dat ik zo naar huis mag want ik krijg straks twintig man op visite.” Er is alleen één probleem: zijn schouder blijkt in puin te liggen, zo tonen röntgenfoto’s aan. Hij moet de nacht in het ziekenhuis doorbrengen. Van Gijn, nog altijd monter: „Gelukkig hoef ik morgen niet meer met de drank voor de visite te sjouwen. Die heb ik al in huis!”

Routineuze kalmte

Minke Twijnstra draagt hem rond vieren met een gerust hart over aan een collega. Het is een bekend beeld voor wie een nacht meeloopt op de spoedeisende hulp: de routineuze kalmte waarmee de binnengebrachte mensen tegemoet worden getreden. Voor iedere patiënt is een bezoek aan deze afdeling een heuse stresstest, het personeel onder leiding van de kordate Twijnstra beziet de problematiek op de schaal van leven en dood. Twijnstra: „En dat laatste dreigt gelukkig maar voor weinig mensen die hier binnenkomen.”

Het is kwart voor vijf geweest als van de operatiekamer het gevreesde antwoord komt na een operatie van ruim anderhalf uur. Het oog van de man die werd getroffen door het siervuurwerk is reddeloos verloren. Verpleegkundige Ruth Bruin: „Dat is heftig.” En toch ziet ze het eigenlijk ieder jaar wel als ze dienst heeft tijdens de jaarwisseling: ernstig en blijvend letsel door vuurwerk. De reden dat traumachirurg Vincent Leferink onlangs in de Gelderlander zei: „Als ik op 1 mei een feestje wil houden waarvan ik op voorhand weet dat er 500 tot 1.000 gewonden vallen, krijg ik nooit een vergunning. Maar met de jaarwisseling vinden we het normaal.” Verpleegkundige Bruin knikt als ze het citaat krijgt voorgelegd: „Daar heeft hij een goed punt.” Is een vuurwerkverbod dan de oplossing? Ze glimlacht. „Ik weet het niet. Toen mijn kinderen nog klein waren, stak ik zelf ook met plezier wat af.”

    • Hugo Logtenberg