Commentaar

Minder vuurwerk kopen zou al een begin zijn van matiging

De Oudejaarsviering is achter de rug – de oogartsen en chirurgen zijn aan de slag, evenals de schadetaxateurs, rechercheurs, officieren van justitie, vuilnis- en autowrakkenophaaldienst. De huisdieren sidderen na in hun mandjes.

De jaarlijkse prijs voor onze traditie van vrij beschikbaar consumentenvuurwerk is betaald, althans de eerste termijn. Voor diegenen die er letsel aan overhielden is het betalen pas begonnen. Niet alleen door henzelf, maar ook door de samenleving die voor aanpassingen of voorzieningen moet zorgen. Of voor schoolgebouwen, straatmeubilair of andere ‘per ongeluk’ afgebrande voorzieningen.

In Hoogezand en Kattendijke raakten dit jaar gasleidingen beschadigd en woningen ontruimd door in regenkolken geworpen vuurwerk, wat makkelijk een ramp had kunnen veroorzaken. Ook als een jaarwisseling door het gezag als ‘beheersbaar’ wordt aangeduid, gebeurt er ieder jaar wel iets dat echt niet zou moeten kunnen. En toch doen we aan vuurwerk – en zoals het ernaar uitziet, blijven we het ook doen.

Weliswaar groeide de groep burgers die zegt ‘nooit’ vuurwerk af te steken in tien jaar van 64 naar 69 procent, maar op straat was dat ook dit jaar niet echt te merken. Ook dit jaar gaf het publiek weer zo’n 68 miljoen euro uit aan vuurwerk, een traditie die in 2015 werd erkend als ‘immaterieel erfgoed’. Vuurwerk afsteken bij het nieuwe jaar beleven velen ook als positief. De vuurpijl schiet alle zorgen quasi weg: leve het spektakel, het leven, je naasten, de buren en de toekomst. Proost, en morgen zien we verder. Eén serie vrolijk gekleurde ontploffinkjes per jaar, dat mag de burger toch nog wel, in dit land vol borden, vergunningen en strepen op de weg?

De dringende adviezen dit jaar van politiechefs, burgemeesters, artsen en deskundigen om er nu écht mee op te houden, vallen politiek dan ook in onvruchtbare aarde. Alleen GroenLinks, SGP en Partij voor de Dieren zijn voor een verbod. De nieuwe minister van Justitie beloofde alle ‘ernstige observaties ter harte te nemen’. Maar wat dat betekent weten we niet. Het nieuwe kabinet zal vast geen haast maken, premier Ruttes afhoudende opstelling in die andere cultuurdiscussie, over Zwarte Piet, indachtig. Het thema vuurwerk verdeelt Nederland. Op de groeiende weerstand antwoorden lokale besturen symbolisch met vuurwerkvrije zones en beperkte verkooptijden.

Vooral vanuit de politieleiding werd dit jaar de druk opgevoerd. Illegaal zwaar vuurwerk werd consequent aangeduid als ‘handgranaten’. Wie zoiets van dichtbij naar een agent werpt, wordt gedagvaard wegens poging tot doodslag, zo is met het Openbaar Ministerie afgesproken. Dan spreken we over strafeisen van 24 tot 48 maanden. De nationale korpschef bepleitte een algemeen verbod op knalvuurwerk en vuurpijlen, maar handhaven noemt hij ‘lastig’. Wat een understatement is gezien het massale vuurwerktoerisme naar België en Duitsland waar Nederlandse consumenten de auto blij vol staan te laden. De jaarlijkse ‘oogst’ van gewonden en miljoenen euro’s herstelwerk neemt dus alleen af als die burger zichzelf weet te matigen. Dat betekent dus veilig afsteken van uitsluitend goedgekeurd vuurwerk, risico’s voor omstanders uitbannen, en zelf aansprakelijk zijn voor eventuele negatieve gevolgen. Over de vraag wat ‘normaal’ is tijdens en vooral ná Oudejaar moet het debat volop gevoerd blijven worden. Eén ding is zeker: minder vuurwerk kopen is al een begin.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.