Recensie

Zó dicht je dus de kloof tussen hoog en laag IQ

In drie opzichten is het nieuwe boek van socioloog Kees Vuyk, dat luistert naar de titel Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal, zonder meer verdienstelijk. Om te beginnen geeft het een scherp beeld van de voornaamste scheidslijn die onze samenleving momenteel verdeelt. Hoog- en laagopgeleide Nederlanders leven in gescheiden werelden. Daarbij gaat het niet alleen om de wijken waarin ze woonachtig zijn of om hun verschil naar inkomen. Er is ook een fors contrast als het om gezondheid gaat: gemiddeld leven hoogopgeleiden zeven jaar langer dan hun laagopgeleide medeburgers.

Er zijn culturele verschillen: de belangstelling voor klassieke muziek is onder de eerste groep drie keer zo groot als onder de tweede groep. En er is verschil op politiek gebied: laagopgeleiden kiezen eerder voor partijen die hoogopgeleide Nederlanders als extreemrechts of populistisch van de hand wijzen.

Dat alles is bij onderzoekers al geruime tijd bekend maar het is goed om daar publiekelijk de aandacht op te vestigen. Velen beschouwen Nederland nog steeds als een egalitaire maatschappij. Vuyk laat zien dat oude vormen van ongelijkheid weliswaar verdwenen zijn, maar dat nieuwe ongelijkheden daarvoor in de plaats kwamen.

Een andere, belangrijkere verdienste van zijn boek is dat hij met een prikkelende verklaring komt voor deze zorgelijke tweedeling. Die tweedeling wordt veroorzaakt door het onderwijs, met name door het feit dat men daar op intelligentie selecteert. Vuyk legt een mechanisme bloot dat in het kort de volgende stappen telt. Ten eerste, kinderen met een hoog IQ komen relatief vaak in hoger onderwijs terecht.

In de tweede plaats trouwen hoogopgeleide Nederlanders graag met iemand die ook hoger onderwijs heeft gevolgd en wiens intelligentie dus boven het gemiddelde uitkomt.

Ten derde: omdat intelligentie een erfelijk karakter heeft, is de kans groot dat ook de kinderen uit een dergelijk huwelijk een hoog IQ hebben.

En tot slot bezitten deze kinderen daardoor nog voordat ze naar de basisschool toegaan een voorsprong op hun leeftijdgenoten. Bijgevolg komen ze eerder in het hoger onderwijs terecht waarna de hele cyclus zich herhaalt. Zo blijkt Nederland onderhevig aan een harde darwinistische dynamiek die door niemand is gewild maar wel verstrekkende gevolgen heeft. Er deed zich de afgelopen decennia een enorme braindrain voor waarbij de klasse van gewone Nederlanders haar intelligente kinderen via de universiteit zag vertrekken naar de maatschappelijke bovenlaag terwijl ze zelf intellectueel steeds armer werd.

Een derde verdienste lijkt mij dat Vuyk de gangbare oplossingen voor dit probleem ter discussie stelt. Meer of vroeger onderwijs zal weinig helpen omdat het de genoemde cyclus niet doorbreekt. Het zal de situatie zelfs verergeren. Ook het uitbreiden van de keuzevrijheid op onderwijsgebied zal averechts uitpakken. Er moet juist een einde komen aan de heilloze combinatie van onderwijsvernieuwing en neo-liberale ideologie waardoor het hele veld van cultuur en onderwijs de afgelopen halve eeuw een woestenij geworden is.

Het valt de grote partijen te verwijten dat ze met deze ideologie zijn meegegaan en hun oude ideaal van volksverheffing prijsgaven, een kritiek die met name de sociaal-democraten treft. Wat wel zou kunnen helpen is een ander soort onderwijs dat minder nadruk legt op het verstand en meer op de kwaliteiten van de hand en van het hart.

En wat we vooral nodig hebben is een nieuw maatschappelijk contract waarbij de sociale bovenlaag minder voor zichzelf en meer voor de samenleving als geheel gaat zorgen.

Het enige minpunt in dit boek vond ik de pedante toon die Vuyk bij tijd en wijle aanslaat. Hij benadrukt dat een hoog IQ niet alles zegt, dat een academische opleiding nog geen goede mensen maakt en dat we kennis niet met wijsheid mogen vereenzelvigen. Maar intussen aarzelt hij niet de grote betekenis van intelligentie te benadrukken en omarmt hij tamelijk kritiekloos de vormen van hogere cultuur waarmee de elite zich van het gewone volk onderscheidt. Het zij hem – als lid van de eerste generatie die vanuit een gewoon milieu naar de universiteit toe ging – graag vergeven vanwege de ernst waarmee hij deze kwestie in zijn boek aan de orde stelt.