Opinie

    • Rutger Lemm

Voorkom dat de grap in verkeerde handen valt

Het is moeilijk satire en serieuze beledigingen uit elkaar te houden, schrijft . Maar: „Een goede grap is altijd politiek incorrect én vooruitstrevend.”

Jeff Garlin (links) en Larry David (rechts) in Curb You Enthusiasm. Beeld AP/HBO

Bij een jaarlijkse enquête op de website wegmetdatwoord.nl, georganiseerd door het Instituut voor de Nederlandse Taal, werd ‘genderneutraal’ tot het irritantste woord van 2017 verkozen. De term zou onder andere „te politiek correct” zijn.

Op het eerste oog is dit een onzinnig nieuwtje, een gimmick zelfs, maar het typeert een jaar waarin de spanning tussen progressieve en conservatieve kampen weer een paar graden dichter bij het kookpunt kwam. Donald Trump werd ingezworen als president, de neonazi’s van alt-right marcheerden door Charlottesville, #MeToo leidde tot een debat met feministen over ‘nieuwe truttigheid’, Zwarte Piet-activisten werden bij Dokkum geblokkeerd op de snelweg, Thierry Baudet was volgens EenVandaag politicus van het jaar, en nu is er op de valreep nog de discussie over de homofobie van de mannen van voetbalpraatprogramma Voetbal Inside.

Johan Derksen zei over laatstgenoemde ophef in de Volkskrant: „Mensen als Sunny Bergman en Sylvana Simons hebben kennelijk veel moeite om satire en serieuze beledigingen uit elkaar te houden. Grappen maken over homo’s is toch niet verboden?” Dat is wat linkse activisten vaker verweten wordt: een gebrek aan humor. Daarom vindt men een term als ‘genderneutraal’ zo irritant. Mag dan niets meer? Tegelijkertijd is dit het ideale excuus: ook Donald Trump bagatelliseert racistische of vrouwonvriendelijke opmerkingen regelmatig door te zeggen dat het een ‘grapje’ was.

Dit was het jaar waarin ironie en politiek steeds meer door elkaar begonnen te lopen. Hebben we niet allemaal steeds meer moeite om „satire en serieuze beledigingen uit elkaar te houden”? De vraag ‘Wat is een goede grap?’ lijkt relevanter dan ooit.

Gelukkig was 2017 ook het jaar waarin Larry David, een van de grappigste mensen op aarde, na zes jaar terugkeerde met zijn comedyserie Curb Your Enthusiasm. In deze serie speelt hij een licht gefictionaliseerde versie van zichzelf: in Curb is Larry David dankzij Seinfeld, de legendarische sitcom die hij samen met Jerry Seinfeld bedacht, miljonair geworden. Hij vult zijn dagen met golfen, lunchen, en hier en daar een nieuw project. Maar het belangrijkste is dat Larry ongelofelijk eerlijk is. Net zoals in Seinfeld zoomt Curb genadeloos in op onze kleine, onuitgesproken sociale regels, en wordt telkens de vraag gesteld: waarom doen we het eigenlijk zo? Larry is de neurotische held die het met een grappige analyse durft te benoemen.

In seizoen 3 bijvoorbeeld, als na een etentje het andere stel aanbiedt om te betalen, en Larry alleen de man bedankt. „Dat is seksistisch, Larry!”, bijt de vrouw hem toe. „Hoezo?” antwoordt hij onomwonden. „Jij werkt niet, dus technisch gezien is het niet jouw geld.” Dit soort analyses worden hem uiteraard niet in dank afgenomen. Maar de kracht van Larry David is dat hij niet aan beleefdheid doet, en dan vaak een punt heeft.

Maar er is veel gebeurd sinds 2011, toen Curb voor het laatst te zien was. Veel progressieve media vroegen zich dan ook af of de typische Curb-humor, waarin echt iedereen – Joden, moslims, zwarten, Aziaten, mensen in rouw, gehandicapten en Holocaustoverlevers – op de hak wordt genomen, wel in het Trump-tijdperk past. „Cynische humor is nu mainstream,” schreef The New Yorker, „de grenzeloze ongevoeligheid van een rijke, oude, wereldvreemde witte man is nu dagelijkse kost”. The Guardian was het hiermee eens en schreef in een kritische recensie: „De wereld is veranderd en niemand heeft het aan Larry David verteld.”

Comedian J.B. Smoove, die Larry’s vriend Leon Black speelt, zag juist een ander probleem, zo zei hij in The Inquirer: „Alles is nu zo politiek correct. Het is treurig.” Hij is lang niet de enige stand-upcomedian die zich hier zorgen over maakt: „P.C. culture maakt comedy kapot”, zei Jerry Seinfeld in 2015 nog in een interview met ESPN. Dat zijn uitspraken die je eerder van rechts-populistische politici verwacht.

Bij een persconferentie voor de première van het nieuwe Curb-seizoen werd Larry David en de rest van de cast zelfs gevraagd wat het verschil tussen hem en de eveneens politiek incorrecte Trump is. „Volgens mij ben ik geen lul”, zei David met een glimlach. Comedian Jeff Garlin, die zijn manager speelt, stelde het simpel: „Larry is grappig, de president niet.”

Dat is het enige wat telt voor mannen als Jerry Seinfeld en Larry David: is het grappig? – dan heeft het bestaansrecht. Toch is het geen gekke vraag: wat is eigenlijk het verschil tussen Larry David en Donald Trump? En wat kunnen we daarvan leren?

Het ironische karakter kan de verteller een beschermdeken bieden: je kunt ontkennen dat je het meent, terwijl de goede verstaander je boodschap intussen wel degelijk begrepen heeft.

‘Taboes zijn gevaarlijk”, zegt comedian Sarah Silverman in de documentaire The Last Laugh (2016), „alles wat in de schaduw blijft, kan alleen maar duisterder worden”. Kortom: een lach lucht op, en laat spanning wegvloeien. Dat is een algemeen geaccepteerd gegeven, waardoor komieken traditiegetrouw een belangrijke plaats in onze samenleving hebben: in Nederland sluit een cabaretier het jaar af met een conference, in de VS mag een comedian tijdens het jaarlijkse Correspondents’ Dinner de president belachelijk maken. Afgelopen zomer betoogde cabaretier Micha Wertheim nog dat het theater en de roman „safe spaces” moeten zijn, waar alles gezegd mag worden.

Maar juist omdat grappen en ironie zo krachtig zijn, en (terecht) op een voetstuk staan in de westerse wereld, vormen ze eveneens een gevaar. Journalist Jason Wilson schreef in mei van dit jaar een uitgebreid artikel in The Guardian over hoe de alt-right-beweging ironie inzet als wapen. Op fora als 4chan worden de cartoonfiguur Pepe the Frog en memes over Auschwitz ingezet om echte vrouwenhaat, racisme en oproepen tot geweld subtiel te verbergen. Toen alt-right-voorman Richard Spencer tijdens een speech had opgeroepen om de Hitlergroet voor Trump uit te brengen, zei hij na afloop dat het „ironisch” bedoeld was. De door neonazi’s bewonderde blogger PewDiePie betaalde Indiase mannen om dansend een bordje met ‘Death to all Jews’ omhoog te houden – ook hij verdedigde zich door te zeggen dat het een „grap” was.

Alt right-voorman Milo Yiannopoulos schreef op Breitbart dat dit soort nazigrappen simpelweg waren bedoeld „om je grootouders te sarren”. „In 1980 waren deathmetalfans ook niet écht satanisten”, zo schreef hij. Maar zo simpel is het niet: de alt-right-beweging wil wel degelijk racistische en vrouwonvriendelijke ideeën implementeren, en krijgt steeds meer politieke macht.

Het ironische karakter van een ‘grap’ (en andere artistieke vormen van provocatie) kan de spreker een soort beschermdeken bieden: je kunt ontkennen dat je het meent, terwijl de goede verstaander je boodschap intussen wel degelijk begrepen heeft. Zeker nu Twitter elke grappenmaker direct een podium biedt, en de nieuwscyclus steeds sneller doordendert. Een politicus als Thierry Baudet (die ook een roman vol dubieuze stellingen over vrouwen schreef) poneert soms een uitspraak over rassenvermenging, om vervolgens na de ophef terug te krabbelen: ach, neem het niet zo letterlijk jongens. Maar zijn punt is intussen wel gemaakt, en zijn bekendheid is toegenomen. Precies deze formule bracht ‘Twitter-clown’ Trump naar het Witte Huis.

De documentaire The Last Laugh gaat erover of grappen ooit te ver gaan. In de film wordt aan Sarah Silverman en talloze andere bekende stand-upcomedians gevraagd: kun je een grap over de Holocaust maken? De vraag maakt ze zichtbaar ongemakkelijk, omdat ze vinden dat álles grappig moet kunnen zijn, maar vaak is het antwoord toch: nee, dat kan niet. Zelfs Mel Brooks, die met The Producers een musical vol nazigrappen schreef, vindt een grap over de Endlösung te ver gaan. Waarom?

Een grap lost spanning op, en daarom lach je. Hoe controversiëler het onderwerp, hoe groter de spanning, en hoe harder de lach. En wat controversieel is, hangt weer af van de tijdgeest. Maar, zoals komiek Harry Shearer zegt in The Last Laugh: „Een grap over je schoonmoeder is niet heel spannend, dus die hoeft niet heel goed te zijn. Een grap over de Holocaust moet echter altijd héél goed zijn om te kunnen werken.”

Larry David, zelf Joods, vindt dat je ook grappen over de Holocaust moet kunnen maken. In The Last Laugh kijkt de 92-jarige Auschwitz-overlever Renee Firestone op een gegeven moment meerdere Holocaustgrappen op YouTube, waaronder een scène uit Curb Your Enthusiasm waarin Larry per ongeluk zowel een Holocaust-overlever als een kandidaat van het programma Survivor (zeg maar Expeditie Robinson) te eten uitnodigt. „I’m eager to meet the other survivor”, zegt de oude man bij aankomst, als hij tot zijn verbazing een jonge knappe vent aantreft. Tijdens het etentje ontstaat een discussie tussen de twee over wie nu echt een ‘survivor’ is, en wie het meest heeft geleden („Ze gaven ons geen snacks op dat eiland!” „Snacks? Wij aten soms een maand niet!”).

Zoals komiek Harry Shearer zegt in The Last Laugh: „Een grap over je schoonmoeder is niet heel spannend, dus die hoeft niet heel goed te zijn. Een grap over de Holocaust moet echter altijd héél goed zijn om te kunnen werken.”

Maar Larry David gaf in november van dit jaar onbedoeld ook het slechte voorbeeld, met een Holocaust-grap in zijn openingsmonoloog bij Saturday Night Live. „Het valt me op dat veel daders binnen het #MeToo-schandaal… eeeeh… Joden zijn”, zei hij, tot genoegen van de zaal, om vervolgens een vreemd bruggetje te maken: „Ik vraag me af: zou ik vrouwen hebben versierd tijdens de Holocaust?” Hij speelde na hoe hij in een concentratiekamp op een vrouw zou afstappen: „Hé, alles goed? Behandelen ze je oké?”

Het leidde tot grote ophef. Tv-kok Cindi Avila schreef op Twitter: „De Holocaust zal nooit grappig zijn.” Jonathan Greenblatt van de Anti-Defamation League (een organisatie die tegen antisemitisme strijdt) was het hiermee eens: „Hij kreeg het voor elkaar om tegelijk beledigend, ongevoelig en niet grappig te zijn.” Voorspelbare, politiek-correcte reacties.

Journalist Dennis Perkins maakte een interessanter punt op de website AV Club: „Niets gaat te ver in comedy, en Larry David is een comedyheld”, schreef hij. „Maar de concentratiekampgrap was niet goed geschreven, niet fantasierijk en werd halfslachtig uitgevoerd, waardoor het een kwestie van slechte smaak werd.” Grappen en comedians zijn immens belangrijk, maar dit soort inhoudelijke kritiek is essentieel om te voorkomen dat hun middelen in de verkeerde handen vallen. Om het verschil tussen goede en slechte grappen te kunnen maken. Zeker nu zowel feit en fictie als politiek en cabaret steeds meer door elkaar lopen.

Anders ben je gewoon een lul

Wat is een goede grap? Waarom is Larry David grappig en Donald Trump niet? Dat is natuurlijk een moeilijke vraag. Hierbij een poging tot een antwoord: een écht goede grap biedt door een kwinkslag een nieuw perspectief op een controversieel onderwerp, of kan je op een kleinere waarheid wijzen die je al die tijd al over het hoofd zag – zoals Curb Your Enthusiasm op meesterlijke wijze doet. Dan komt je perspectief even compleet op zijn kop te staan, en dus lach je. Een geniale grap klópt, dat voel je gewoon, en de keiharde lach die erop volgt, kan je leven een beetje veranderen.

Je zou dus kunnen zeggen dat een goede grap altijd tegelijk politiek incorrect én vooruitstrevend is: hij kijkt verder dan onze huidige vastgeroeste perceptie.

Een slechte grap biedt daarentegen geen nieuwe inzichten. Je kunt natuurlijk wel slechte grappen maken over controversiële onderwerpen – ik doe het zelf ook graag met mijn vrienden. Dan krijg je de ‘foute humor’ die in Nederland zo populair is (zie de kijkcijfers van Voetbal Inside). Zo’n foute grap krijgt altijd wel een opluchtingslach – oei, dat was spannend – maar lost geen spanning op. Zoals Larry Davids slecht uitgevoerde Holocaust-grap ons geen nieuwe inzichten bood, alleen maar ongemak. Je kunt ook doorgaan met een fenomeen belachelijk maken terwijl het taboe allang is opgelost en de spanning verdwenen is – dan ben je gewoon een lul.

Sterker nog: een heel slechte grap kan de spanning in stand houden en versterken. Dan is de lach van het publiek zelfbevestigend, zoals met homofobe of racistische moppen: wij horen erbij, zij niet. Met zo’n denigrerende grap zeg je in feite: laat alles zo blijven zoals het is, iedereen terug op zijn plek en braaf blijven doorgaan.

Op zich is het altijd goed om tegen politieke correctheid in te gaan, om onze manier van denken voortdurend kritisch te bevragen. Het punt is dat niemand weet wat politieke correctheid precies is, omdat het extreem veranderlijk is. Er is geen nationale lijst met taboes die zorgvuldig wordt bijgehouden.

Bovendien kan het idee van ‘politiek incorrecte’ grappen misbruikt worden door mensen met een gevaarlijke verborgen agenda. Iedereen kan voortdurend claimen dat hij tegen ‘policor’ strijdt – terwijl hij intussen zijn éígen taboes wil implementeren.

Dat is ook de reden waarom linkse activisten (en woorden als ‘genderneutraal’) vaak irritant en humorloos zijn: ze zijn tegen oude regels, maar willen nieuwe regels opleggen. Ook sociale vooruitgang (het homohuwelijk, genderneutraliteit, de Roetpiet) levert nieuwe normen en dus nieuw ongemak op: je wilt het te graag goed doen, iedereen gedraagt zich veel te zelfbewust. Het benoemen van dat ongemak wordt al snel weer een taboe. Het is maar weinigen gegeven om steeds weer opnieuw een open en (zelf)kritische blik te houden, zelfs nadat je gelijk hebt gekregen. Om steeds weer goede grappen te maken over controversiële onderwerpen. Daarom hebben we mensen als Larry David nodig, die ons voortdurend wijst op álle belachelijke sociale regels, en zo weer spanning doet wegvloeien.

Correctie (29 december 2017): In een eerdere versie van dit stuk werd de naam van Milo Yiannopoulos foutief geschreven als Milos Yannopoulos.

    • Rutger Lemm