Column

Nederlandse schaatstelevisie: een extra pijniging voor sporters

Zap Het Olympisch Kwalificatie Toernooi is een als schaatswedstrijd vermomde martelshow. En dan worden de sporters ook nog onophoudelijk onder druk gezet door tv-verslaggevers.

Dione de Graaff, Annette Gerritsen en Erben Wennemars bespreken Jorrit Bergsma (NOS Sport: OKT Schaatsen)

Zou er in de wetenschappelijke wereld één ethische commissie te vinden zijn die een psychologisch experiment zou goedkeuren dat de vorm heeft van het Olympisch Kwalificatie Toernooi? Deze als schaatswedstrijd vermomde martelshow die de NOS deze week in de vooravond uitzendt heeft een eenvoudig concept: laat jonge sporters zich jarenlang het schompes trainen voor de Olympische Spelen, maar verplicht ze dan om zes weken vóór die Spelen mee te doen aan een wedstrijd waarin ze in een vloek en een zucht die jaren trainingsarbeid teniet kunnen doen. Weinig te winnen, alles te verliezen.

Zo hard is sport, maar bij het OKT is er een extra pijniging voor de sporters aan toegevoegd: ze worden onophoudelijk onder druk gezet door zwermen televisieverslaggevers en -analisten die het middenterrein van de schaatsbaan bevolken. De spanning is al dagen het hoofdonderwerp van de uitzendingen: mannen van in de dertig die vertellen dat ze die middag nog hebben gehuild van de stress, anderen die zeggen: „De afgelopen twee jaar waren een hel.”

Dat waren dan nog de winnaars. De verliezers moeten zich helemaal wapenen. Zoals de jonge sprinter Dai Dai Ntab, die woensdag bezweek aan de spanning, trillend twee valse starts maakte en dus werd gediskwalificeerd. Verslaggever Bert Maalderink wilde meer weten over die valse start: „Waarom doe je dat nou?” Ntab bleef koel, liet de interviewer heel en gaf een verder nietszeggend antwoord – de wonderen van een geslaagde mediatraining.

Het behoort tot de traditie van de Nederlandse schaatstelevisie dat elk detail zevenvoudig tegen het licht wordt gehouden. Zo ging het donderdag in de voorbeschouwing op de tien kilometer enige minuten over de boutjes in de draaipunten van de schoenen van favoriet Sven Kramer. Kramer onderbrak zijn ochtendtraining om die opnieuw vast te laten draaien. Dit nam wel vijftien minuten in beslag, rapporteerde de verslaggever bezorgd.

We zagen de donkere wolken van een boutjesgate al opdoemen, maar aan het begin van de avond bleek Kramer de tien kilometer eenvoudig te winnen, wat een van de NOS-mensen verleidde tot de wonderlijke constatering: „Een groot sportman, ook in zijn interviews.”

Behalve over de boutjes van Kramer ging het over Jorrit Bergsma, die vier jaar geleden goud won op de tien kilometer, maar nu al het hele jaar aan het kwakkelen is. Het aanstaande verlies van Bergsma werd breed in beeld gebracht. Somber hupste hij in de opwarmruimte, hij rekte en strekte wat en stapte met een zeer strak koppie de lift in. Overal gevolgd door een camera, terwijl de beelden werden begeleid door sombere observaties van de analytici: het was ondenkbaar dat deze man nog uit de schaatsdood zou opstaan.

Toen vond de god van de sport het welletjes. Hij greep in. Jorrit Bergsma reed een uitstekende tien kilometer en kwalificeerde zich ruimschoots voor de Olympische Spelen. De deskundigen maakten een razendsnelle draai. Dit zijn de mooiste sportprestaties, riep Erben Wennemars. „Hij had echt geen enkel vertrouwen meer! We gaven toch helemaal niets meer voor zijn kansen!” Nu ja, mompelde ik tegen mijn televisie, jullie gaven geen cent meer voor zijn kansen. Vijftien minuten geleden.

Waarna Bergsma, ontkomen aan de folterkamers van het OKT, zijn reeks nederlagen benoemde met de onvergetelijke woorden: „Alles wat ik in mijn handen had, de laatste tijd, brak.” Een groot sportman – en in zijn interviews een dichter.