Recensie

‘Patjepeeër Hitler zal het niet redden’

Anti-nazi Von Papen

Een neef van de kanselier die Hitler aan de macht bracht, bleek een fel tegenstander van de nazi’s. Uit zijn getuigenissen blijkt hoe groot zijn minachting voor Hitler was.

Albert Verwey, in 1885 geportretteerd door Jan Veth Foto Rijksmuseum Amsterdam

Avondkrant De Tijd plaatste op 24 maart 1939 een recensie van een in Nederland verschenen ‘vlugschrift’ onder de kop ‘Ook een Von Papen. Getuigenissen uit een concentratiekamp’. Het ‘ook’ in de krantenkop slaat op Franz von Papen, oom van de auteur die als bondskanselier van de Weimarrepubliek (1918-1933) de macht aan Hitler gaf in de overtuiging dat Duitsland dan snel van hem af zou zijn.

Neef Felix (1910-1945), de auteur, werd in december 1933 gearresteerd en belandde in concentratiekamp Oranienburg, waar hij zware folteringen moest doorstaan. Achttien maanden later kwam hij vrij, kort na de Nacht van de Lange messen – waarin Hitler en de SS met geweld de macht wisten te breken van de SA-leiding, Von Papens folteraars.

Von Papen zocht daarna tevergeefs naar eerherstel en vluchtte uiteindelijk naar Nederland. Daar publiceerde hij een boekje, in het Duits, om te vertellen over de praktijken van het naziregime, Ein von Papen spricht. Zijn oudste dochter herinnerde zich na de oorlog: ‘Het moest een boek tegen Hilter worden.’ Zo vatte de Nederlandse overheid het ook op. Die verbood het werk: belediging van een bevriend staatshoofd. Exemplaren bij Von Papen thuis werden in beslag genomen.

Curieus compliment

De Tijd had toen al gemengd geoordeeld over het boekje. Een van de pluspunten, volgens de krant, was dat de auteur ‘door de connecties in hoogere klassen’ een helder kijkje achter de schermen van de macht bood. Dat lijkt een tamelijk curieus compliment voor een aanklacht tégen de macht. Toch klopt het wel. Von Papens ervaringen in Oranienburg – nu voor het eerst in het Nederlands te lezen – zijn aangrijpend, zeker, maar met de huidige kennis over wat volgde, zijn ze moeilijk schokkend te noemen. Nog meer dan destijds, zijn het vooral de opvattingen en de levenshouding van de adellijke Von Papen die fascineren. Een man van eer, die zich schaamde dat hij nog leefde, niet omdat anderen stierven – een bekend kampsyndroom – maar omdat ‘ik dit allemaal heb toegelaten.’ Von Papen vraagt zich af of daar een excuus voor bestaat. ‘Ik had me moeten weren, ook al wist ik absoluut zeker dat ze me bij de minste tegenstand als een hond overhoop zouden knallen.’

Laag allooi

Ook boeiend is zijn tikje elitaire overtuiging dat het niet lang meer kon duren, de macht van omhooggevallen patjepeeërs van de nationaal-socialistische revolutie. Hij legde zijn Nederlandse publiek omstandig uit van welk laag allooi de voorouders van Hitler waren: boerenmeiden, buitenechtelijke kinderen en een molenaarsknecht. Dat was in zekere zin geruststellend, meende Von Papen, en hij verheugde zich op het uur van de afrekening. Want: ‘Gelooft u soms, meneer Hitler, dat het Duitse officierskorps op termijn een voormalige schildersknecht en soldaat eerste klasse als hun opperbevelhebber zal erkennen? Nooit! Op het beslissende moment zal men teruggrijpen op de oude traditie.’

Het is anders gelopen. Ook met Von Papen, zoals al te lezen is in de voortreffelijke inleiding van rechtshistoricus Corjo Jansen. Na de bezetting van Nederland, dook hij onder in de buurt van de Overtoom, in Amsterdam. Hij werd verraden, belandde in concentratiekamp Buchenwald en stierf enkele dagen voor de bevrijding.

Met die kennis is het pijnlijk te lezen hoe verontwaardigd Von Papen in de jaren na zijn gevangenschap in Oranienburg was over de weigering van de Duitse overheid hem financiële compensatie te verlenen voor het hem aangedane onrecht. En dat, schreef Von Papen aan een Duitse minister, terwijl hij in de krant moest lezen dat ‘buitenlanders (Spanjaarden) naar Duitsland worden gehaald om op staatskosten te genezen.’ De schande!

    • Pieter van Os