Recensie

Overeind blijven als niet helemaal modern mens

De lezer van Tim Parks kent de hoofdpersoon van In Extremis al: Thomas Sanders. Niet alleen uit zijn vorige roman, Thomas and Mary. A Love Story, maar ook in bredere zin: de ietwat onhandige intellectueel met prostaatklachten, die een fundamenteel ongemak met de wereld vertoont.

Dat betekent niet dat Parks’ nieuwe roman voorspelbaar is – alleen al na het lezen van de openingsscène is dat moeilijk vol te houden. Hierin vraagt Thomas zich af of hij het dode lichaam van zijn moeder had moeten groeten, onderwijl reflecteert hij op de anale massage die hij kreeg op een artsencongres in Amersfoort.

Die twee zeer uiteenlopende gedachten bieden ruimte voor zowel tragiek als humor. Beide mogelijkheden buit Parks (1954) met groot enthousiasme uit. Zo is er de reis naar zijn stervende moeder, die gehinderd wordt door het feit dat hij alleen een gewone mobiele telefoon heeft (géén smartphone). Het ding trilt op de meest ongelegen momenten. Maar als het er echt toe doet, mist hij een berichtje en bovendien zit er geen Google Maps op, dus lukt het hem niet om in de stromende regen het hospice te vinden waar zijn moeder op sterven ligt, die hij eigenlijk nog zou moeten vertellen over het einde van zijn huwelijk en zijn nieuwe minnares.

En dan is er de pijn waaraan Thomas lijdt – waarover Parks in zijn memoir Leer ons stil te zitten op indrukwekkende wijze al had geschreven. Een combinatie van meditatie en alternatieve geneeswijzen had hem geholpen, een beetje tegen wil en dank want hij houdt helemaal niet van zulk vaag gedoe. Overmoedig laat hij zich als proefpersoon inzetten op dat congres, waarna de prostaatklachten onverwacht terugkeren.

De scènes waarin hij zich afvraagt hoe vaak hij het kan maken om zijn buurvrouw in het vliegtuig te laten opstaan omdat hij naar de wc moet, en ook de discussies met douane-personeel dat hij moet uitleggen wat een anale massagestok is, zijn slapstick in de Britse traditie, evenals de zelfhaat die zich vertaalt in minachting: ‘Hij was jong, blakend van zelfvertrouwen. En vijandig op een bepaalde manier. Dat voelde ik. Misschien had ik het mis, maar ik voelde het.’

Maar het zijn afleidingsmanoeuvres: In Extremis is weliswaar grappig, maar ook een uiterst ongemakkelijke roman over hoe moeilijk het is om als niet helemaal modern mens overeind te blijven. Er gebeurt veel in dit boek: het overlijden van de moeder, het late huwelijk van een vriend, woede-uitbarstingen van diens zoon tot wie niemand toegang krijgt, en ondertussen de pogingen om tijdig op alweer het volgende congres te arriveren waar hij keynote-speaker is. Ondertussen zoekt hij contact met Elsa, zijn nieuwe geliefde die zijn leven weer zin moet geven.

Toch bestaat het boek grotendeels uit mijmeringen die de indruk wekken dat het Thomas allemaal maar een beetje overkomt: een staaltje zelfbedrog (en zelfverontschuldiging) waar je lang in meegaat. Je gelooft in de façade die hij voor zichzelf opbouwt om zich vrij te pleiten; in de kracht van een behendig verteld verhaal dus.

Uiteindelijk gaat In Extremis dáárover: hoe je de wereld, ondanks alles, met verhalen naar je hand kunt zetten. Wanneer hij het niet meer weet, belt hij Elsa: ‘Ik wilde er even aan herinnerd worden dat ik een gelukkig man was die de juiste beslissingen had genomen in het leven.’ Dat verhaal kan alleen zij dan vertellen. Een ander voorbeeld is het moment waarop Thomas zich herinnert dat hij als student ooit aan zijn moeder Becketts Molloy had gegeven. Omdat hij het ‘een hilarisch en boeiend boek vond’, maar inmiddels beseft hij dat het een boek is over hoe een moeder en een zoon niet konden communiceren: ‘is dat waar literatuur voor dient, om te praten zonder te praten? Om praten te vervangen. Om niet te hoeven praten.’

Op dat moment weet je al dat deze Thomas nooit aan zijn moeder kon vertellen dat zijn huwelijk is afgelopen, en dat hij een minnares heeft die hem wél kan vertellen dat hij gelukkig is. Nog liever schrijft hij er een roman over.

    • Toef Jaeger