Recensie

Liesbeth is niemands meisje meer, of nooit geweest

Lydia Rood schittert als ze het zichzelf en haar hoofdpersoon moeilijk maakt – zoals in haar nieuwe jeugdroman Niemands meisje. Dan schrijft ze rauw, eerlijk en onweerstaanbaar.

Jort zei tegen Liesbeth dat zij zijn ‘eerste meisje’ was, waarop zij terugsnauwde: ‘Ik ben niemands meisje, hoor!’ Dat was op de laatste bladzijde van Survival (2015), de vorige jeugdroman van Lydia Rood (1957), over Liesbeths verblijf op een zomerkamp voor probleemkinderen. Althans, als zo’n kamp ervoer zij dat, want iederéén daar had wel iets (maar we weten ook: ben je onder pubers, dan gaapt daar een leeuwenkuil van emoties). Liesbeth voelde zich er ongezien, weer het buitenbeentje, en het eindigde met een mislukte zelfmoordpoging.

Nu, jaren later, heeft er zich weer een ‘incident’ voorgedaan en zit Liesbeth in een inrichting. We lezen de transcripties van haar therapiesessies, individueel en in groepen. Daarin gaat het over veel meer dan alleen dat incident, waarvan we slechts de contouren te zien krijgen, pas helemaal op het einde van Niemands meisje. Het is het vervolg op Survival dat zich het best laat genieten met voorkennis, zeker te midden van de ingewikkelde constellatie van personages en verwikkelingen die Rood hier optuigt.

Magneet voor rotzooi

Die veelheid moeten we zien als een bewuste keuze van de schrijver: in Liesbeths leven ging tot op heden niets rimpelloos. En rotzooi is een magneet voor nog meer rotzooi. Liesbeths verhouding tot vriendjes is niet waar ‘niemands meisje’ nu voor staat, het verwijst eerder naar haar algehele gevoel van verlatenheid: ze voelt zich, op de drempel van vrouwelijkheid, niemands meisje meer, of nooit geweest. Haar ouders waren te veel met zichzelf bezig (vader) of te autistisch (moeder) om hun liefde te uiten, haar vrienden bleken onbetrouwbaar (of: ze bleken mensen, aanmodderende sulletjes). Zelfs een klootzakkige politieagent bepotelde haar. ‘Overleven doe je in je eentje’, was Liesbeths les in Survival, maar met zo’n les ben je er natuurlijk nog niet. In Niemands meisje is ze nog steeds op zoek naar een klankbord voor haar noodkreet.

Zo’n scène als met die politieagent maakt indruk – vanwege de totale unverfrorenheid waarmee Rood het opschrijft, en waarmee Liesbeth het dus gewoon aanneemt. Ja, ze vóelt er wel van alles bij, maar ze weet ook dat ze er niet aan ontkomt. Zo rijst er uit Niemands meisje een mateloos boeiend personage op: getroebleerd door zoveel ingewikkeldheden dat er geen eenduidig ‘antwoord’ op haar problemen te geven is. Dat laat de roman soms overvol en chaotisch aanvoelen: moest het nou zo scheutig? Maar Lydia Rood schrijft geen boeken waarin even een probleempje behandeld en opgelost wordt, waarna we goedmoedig verder kunnen. Je zou ook nog kunnen inbrengen dat de vorm van Niemands meisje niet altijd overtuigt: de ‘transcripties’ bevatten soms wel érg bedachtzaam geformuleerde zinnen. En de groepssessies zijn chaotisch, waardoor Liesbeths ‘lotgenoten’ niet allemaal uit de verf komen.

De volle zooi

Maar een boek als Niemands meisje dwingt andere maatstaven af, want Rood schrijft eerlijk, en eerlijk is rauw, en ingewikkeld. En rauw is ook: zonder een blad voor de mond te nemen, en even vaak keihard als geil en smerig. En ook: zonder dat Rood stilistische strapatsen nodig heeft.

Rood maakt het haar hoofdpersoon, ons en zichzelf niet gemakkelijk, maar tegelijk geldt: ze schittert als ze het zich zo moeilijk mogelijk maakt. Want juist door de volle zooi van het leven aan de (misschien wel semi-autobiografische?) Liesbeth op te dringen, krijgt Rood iets ongrijpbaars voor elkaar: zorgen dat er een hart in haar hoofdpersonage klopt. Daarmee schept ze authentieke literatuur waarvoor je je wel gewonnen moet geven.

Lees ook: Interview met Lydia Rood uit 2016: ‘Ik wil met mijn boeken de wereld mores leren’
    • Thomas de Veen