Recensie

In de ban van Nederland

John Lothrop Motley

De Amerikaanse bewondering voor Nederland begint met selfmade historicus Motley, auteur van de bestseller The Rise of the Dutch Republic.

Hansje Brinker en zijn jacht op de zilveren schaatsen is een onuitroeibare Amerikaanse legende. Net als het vingertje in de Hollandse dijk dat in staat bleek een hele natie te redden. Hans Brinker or The Silver Skates (1865) van Mary Mapes Dodge zou nooit hebben bestaan zonder het werk van historicus John Lothrop Motley (1814-1877). De Amerikaanse bewonderende belangstelling voor Nederland begint bij Motley en zijn The Rise of the Dutch Republic (1856), een meerdelige geschiedenis van de eerste decennia van de Nederlandse Opstand.

De Amerikanen hadden zich nog maar enige generaties eerder losgevochten van het Engelse moederland; en ze konden zich door Motley’s boek uitgebreid spiegelen aan de rebellie van de Nederlanders tegen de Spaanse tirannie. In beide gevallen was uit het verzet tegen een machtige monarchie een succesvolle republiek ontstaan, een Nederlandse die in de zeventiende eeuw tot grote economische hoogten steeg, en een Amerikaanse, die in Motley’s tijd bezig was de hele wereldorde op zijn kop te zetten. De parallel ging nog verder; net als het succes van de Nederlandse Republiek voortdurend werd bedreigd door binnenlandse conflicten, stond ook de jonge Amerikaanse republiek onder hoogspanning. Vijf jaar na het verschijnen van The Rise of the Dutch Republic brak de Amerikaanse Burgeroorlog uit.

In De Atlantische pelgrim vertelt historicus Jaap Verheul hoe Motley zich via slingerwegen ontplooide tot een wereldberoemd historicus. Motley kwam uit een bemiddelde familie in Boston en trouwde met een gefortuneerde vrouw. Motley wilde romanschrijver worden én de politiek in. Al op zijn dertiende studeerde hij aan Harvard, op zijn zeventiende ging hij naar Göttingen, raakte daar in de ban van de Duitse Romantiek en het nationalisme, en, het moet gezegd, ook van het al zeer virulente antisemitisme.

Motley blijkt meer een bespiegelaar, vooral op de daden van grote mannen. Hij bestudeerde diepgaand het werk van Goethe en Schiller, die hem ook de weg wezen naar de Nederlandse Opstand, en de heldendaden van Willem van Oranje. Later zou Motley het voorstellen alsof het het geheimzinnige en buitenissige Nederlandse verleden was dat hem ertoe dreef om historicus te worden.

Vijf jaar werkte Motley aan een eerste versie van The Rise, en zag in dat het pas bijzonder kon worden als hij in Europa de archieven in ging. Met vrouw en kinderen vertrok hij naar Dresden. Daar ontwikkelde hij zich tot een Europese archieftijger. Het driedelige The Rise of the Dutch Republic waarmee hij na nog eens vijf jaar werk tevoorschijn kwam, was rijk aan verrassende verbanden, prikkelende theorieën en ook nog meeslepend verteld. Een verhaal met helden en schurken, met veel gevoel voor detail neergezet.

Het werk werd een bestseller in de VS, er volgden vertalingen in het Duits, Frans, Russisch en Nederlands. In Nederland werd het boek gretig gelezen, maar voor historici waren de druiven zuur. Jarenlang hadden ze zich uitgesloofd in bronnenpublicaties en detailstudies, maar ze waren vergeten, of niet in staat, een synthese te schrijven. Dat een amateur-historicus uit barbaars Amerika met de eer ging strijken, was nauwelijks te verdragen. Om het spervuur van kritiek dat volgde hing de geur van jalousie de métier.

Motley keerde terug naar Amerika als een beroemdheid. Hij werd weer onderdeel van het society-leven, en rolde het politieke bedrijf in op het moment dat het land verscheurd raakte over de slavernij-kwestie. Met zijn fijne pennetje schreef hij pamfletten die ook in kranten werden afgedrukt. Motley had invloed, en hij werd ervoor beloond, met ambassadeursposten in Wenen en Londen. Politieke tact was niet zijn sterkste kant. In 1871 werd hij vrij roemloos uit zijn ambt ontheven. En de laatste zes jaar van zijn leven hield hij zich bezig met vervolgdelen op The Rise.

De Atlantische pelgrim leest af en toe als een negentiende-eeuwse versie van Forrest Gump (1985) van Winston Groom. Steeds is Motley op plekken waar het gebeurt: hij heeft entree bij Abraham Lincoln, raakt bevriend met literaire grootheden als Longfellow en Thackeray. Deze academische monografie is ook een klokgave, en bij vlagen meeslepende, biografie. Verheul blijft dicht Motley’s dagelijkse bezigheden, familiebesognes, maar ontmoetingen en geschriften staan centraal. We leren hem kennen als een begaafde en eigenwijze man die zich door zijn verlangen naar schrijversroem en politiek aanzien regelmatig in de nesten werkt. Verheul is weldadig doelgericht, psychologische duiding is niet waar hij op uit is. Tegen het einde kan hij toch de verleiding niet weerstaan om Motley neer te zetten als een man met een ‘moeilijk karakter’. Gelukkig maar, we hadden het vingertje in de dijk niet willen missen.

    • Rene van Stipriaan