Recensie

Negentien schrijvers over de belangrijkste boeken in 2017

Schrijvers vertellen over het belangrijkste boek van 2017

Van alle boeken die je in een jaar leest, is er altijd wel één een ontdekking. Mij overkwam dat met de Rus Sigizmoend Krzizjanovski (1887-1950), wiens werk in de Sovjet-Unie niet mocht worden gepubliceerd. Zo las ik zijn roman Het rondzwervende ‘Vreemde’ (1924), in de mooie vertaling van Monse Weijers, en genoot 84 pagina’s lang van die fantastische literatuur. Hoofdpersoon is een magiër die van zijn leraar een vloeistof krijgt die je laat krimpen tot een wezen kleiner dan een vlo. Als micromens ontdekt hij dat de vrouw die hij begeert van een ander houdt. Hij begeeft zich nu in de bloedvaten van zijn rivaal en zorgt ervoor dat die dichtslibben, zodat die man een hartaanval krijgt. Een gemener en origineler verhaal over jaloezie ken ik niet. Eerder in het boek stapt ook de leraar als micromens in een kaartspel, waar hij met de hartenkoning aan de praat raakt. Die heeft twee harten, waarvan het grote van een kleine vrouw houdt en het kleine van een groot volk. Van een van die harten wil de koning verlost worden, omdat ze elkaar in de weg zitten. Als het kleine hart wordt weggesneden, is dat het begin van zijn ondergang. De jaloerse micromens van Krzizjanovski is van alle tijden, maar welk boek vertelt ons nu iets typerends over 2017? Dat vroegen we aan negentien toonaangevende schrijvers. Het leverde een palet aan inspirerende en soms verrassende aanbevelingen op.

Hanna Bervoets over Monica Geuze: My Way

Het autobiografische foto-doeboek My Way van vlogger Monica Geuze staat al weken in de Bestseller Top60 van de CPNB. Het succes is een symptoom van 2017: het jaar van de online influencer. Influencers als Geuze danken hun invloed aan de volgersaantallen op hun social media-kanalen. Bedrijven sturen hen producten die ze, soms tegen betaling, tonen in vlogs en foto’s. Influencers zijn doorgeefluiken van een positieve boodschap, in ruil daarvoor worden ze de wereld overgevlogen. Je zou dat kunnen zien als emancipatie: tegenwoordig kan iedereen, ongeacht geslacht, klasse of opleiding, een eigen media-imperium beginnen. Rekken we de definitie van influencer wat op, dan rijst een onheilspellender beeld.

Russische trollen: ook dat zijn influencers, al danken ze hun macht, anders dan Geuze, niet aan bekendheid maar aan anonimiteit. Denk ook aan de fake accounts die politieke partijen dit jaar rond de verkiezingen inzetten. Een influencer hoeft geen mens te zijn. Op internet circuleren miljoenen bots die berichten liken en delen – zij vormen een gevolg op zichzelf, en zijn nog te koop ook: de man die een stel poppen aanschaft, ze tot onderdanen doopt en zichzelf tot koning kroont wordt geloofd.

Ondertussen zijn ook u en ik belangrijkere influencers geworden. Het opgestoken duimpje dat we aanklikken na het zien van een Netflixproductie, onze aankopen via Bol.com: het gaat mee in big data die worden ingezet om content aan derden te slijten. En dan zijn er nog de berichten die we vrijwillig via social media delen: die belanden bij gelijkgestemden uit onze filterbubbel; de mensen die het meest om onze mening geven.

The medium is niet langer the message, zoals mediacriticus Marshall McLuhan ooit beweerde. Inhoud noch verpakking doen ertoe: in 2017 ging het allemaal om de afzender. The influencer is the message.

Martin Michael Driessen over Francesco Pecoraro: Het leven in tijden van vrede

De titel vat precies samen waarom ik deze magistrale roman als één van de belangwekkendste boeken van dit jaar beschouw. Pecoraro beschrijft het levensgevoel en de existentiële twijfels van een man die is opgegroeid in de decennia van vrede die volgden op de Tweede Wereldoorlog. Daarmee belicht hij, vanuit een heel ander auctoriaal standpunt dan het mijne, een onderwerp dat me intens bezighoudt: ikzelf plaats mijn personages immers meestal in noodlottige en onontkoombare situaties, en confronteer ze met de vroeger zo vaak gewelddadige loop van de Europese geschiedenis.

Pecoraro’s hoofdpersoon daarentegen sterft met het wrange inzicht dat hij en zijn generatiegenoten (uit gemakzucht, uit opportunisme) niets zinnigs hebben weten te doen met die zeventig jaar vrede; wat mij in mijn eigen opvatting bevestigt dat een leven zonder existentiële uitdagingen een zinloos leven is. Ik zie deze roman anno 2017 als een ontnuchterende aanmaning de hand in eigen boezem te steken en te beseffen dat ook wij Nederlanders in een ongekende luwte leven, gevrijwaard van de beproevingen die vroegere generaties hebben doorstaan en die mensen elders nog steeds moeten doormaken.

We hebben geen enkel recht ons zielig of bedreigd te voelen, we leven als de maden in het spek.

Onze angsten lijken eerder futiele pogingen om toch nog zoiets als een historisch perspectief aan ons vertroeteld bestaan te geven. Dat is natuurlijk alleen maar menselijk, maar verandert niets aan het feit dat de levens die wij leiden in het licht van de geschiedenis van de mensheid verregaand irrelevant zijn.

Dat heeft Pecoraro me duidelijk gemaakt.

Pieter Waterdrinker over Pantelejmon Romanov: Kameraad Kisljakov

Het indrukwekkendste boek dat ik dit jaar las over de biotoop waar het lot mij destijds heeft heengevoerd – Rusland – is de roman Kameraad Kisljakov, een verwaarloosd meesterwerk uit 1930 van satiricus Pantelejmon Romanov. Ik kende Romanov voorheen slechts van naam, geef ik eerlijk toe. Maar vanaf nu staat hij voor mij op dezelfde hoogte als het duo Ilf & Petrov, wier romans Het Gouden Kalf en De Twaalf Stoelen eveneens de zinderende NEP-jaren als decor hebben.

Dankzij de frisse vertaling van Arie van der Ent stappen we vanaf de eerste bladzijde het kolkende Moskou onder Stalin binnen, waar de vroegere adel hun laatste spullen verkoopt op de vlooienmarkt, nog net niet is uitgeroeid, en de intelligentsia probeert te overleven in de stad die stampt van de hijskranen, geurt naar beton en mortel, terwijl de beroepscommunisten en proletariërs de zaak hebben overgenomen.

De lotgevallen van Ippolit Grigorjevitsj Kisljakov – conservator in een museum dat het oude Rusland verbeeldt – ontspinnen zich als in een film, in een opeenvolging van onvergetelijke, vaak uiterst humoristische scènes, zoals die over het gedwongen samenleven in kommunalka’s.

De roman beschrijft vooral de menselijke metamorfose: hoe te overleven in een zich vormende totalitaire samenleving. Romanov fileert de prille Sovjetmaatschappij daarbij tot op het bot. De hypocrisie, de doodsangsten, de tekorten, de armoede, de menselijke zwakheden, het opportunisme vooral. Zijden kousen en seks zijn ruilmiddelen die in dit geval leiden tot de dood. Romanov was indertijd immens populair, maar de roman werd kort na verschijnen verboden. Hij stierf in 1938 op 54-jarige leeftijd een natuurlijke dood. Was hij blijven leven, dan was eenzelfde lot als Isaak Babel – afgemaakt door beulen – vrijwel verzekerd.

Maarten van der Graaff over Gloria Wekker: Witte Onschuld

Ik kies Witte onschuld, paradoxen van kolonialisme en ras van Gloria Wekker, dat vorig jaar in het Engels werd gepubliceerd en nog net dit jaar in het Nederlands is verschenen. Naast de recente lof voor Wekkers werk – ze ontving de Joke Smitprijs 2017 – verdient de Nederlandstalige editie een gedegen lezing, op afstand van het vertekende beeld: zwarte vrouw beweert dat alle witte mensen slecht zijn. Seculiere commentatoren lijken opeens bang voor erfzonde of Wekkers boek wordt als j’accuse gezien.

Witte onschuld is een etnografie, een studie van de manier waarop wit Nederland naar zichzelf kijkt, aan de hand van het idee van het cultureel archief. Dat archief is een verzameling praktijken, gevoelens en ideeën die het gevolg zijn van de raciale ordening van de wereld, zoals die vorm kreeg door het imperialisme van naties als Nederland.

Ook het idee dat ‘wij’ een bescheiden land zijn, onschuldig, post-raciaal en rechtvaardig, dat een bijzondere rol in de wereld te vervullen heeft, is onderdeel van het zelfbeeld dat Wekker beschrijft. Het woord ‘onschuld’ betekent hier zowel ‘niet weten’ als ‘niet willen weten’. Wie dit boek leest zou de huidige Nederlandse samenleving beter kunnen begrijpen, met aandacht voor de manier waarop het verleden in het heden aanwezig is.

Nicolien Mizee over Leo Tolstoi: Anna Karenina

Het mooiste boek dat ik dit jaar gelezen heb is Anna Karenina van Leo Tolstoi. Twintig jaar geleden las ik het ook en viel ik ten prooi aan gevoelens van vervoering, verbijstering en verwarring. Tolstois blik is van zo’n griezelige scherpte dat het voor de lezer is of hij nooit werkelijk gekeken heeft, of hij ziende blind is geweest. In dit boek uit 1877 wordt er sneller van ver naar dichtbij geschakeld, van groot naar klein, van melodrama naar klucht, dan in de modernste film. Verzengende liefde, hinderlijke flaporen, gruwelijke doodsstrijd, een knellende boord, peilloos geluk, koolsoep en moederliefde staan naast elkaar in hetzelfde onwaarschijnlijk heldere licht.

Een paar jaar geleden stelde ik voor mijn studenten een reader samen met de eerste bladzijden van Anna Karenina, Minoes, Kaas, Doctor Vlimmen en Moord in de Oriënt-Express. Die viel in slechte aarde. Mijn studenten struikelden al over de zin waarin ‘de vrouw des huizes’ voorkomt. Des! Ze wilden geen verouderde boeken, ze wilden de laatste literaire bestsellers lezen.

Maar zie, wie ligt er in 2017 ineens weer op de uitstaltafel van de boekhandelaar, 131 jaar na verschijning? Anna Karenina, in een fonkelnieuwe vertaling van Hans Boland. En wat doet Boland met die ‘vrouw des huizes?’ Ik sla het boek open: ‘Mevrouw had ontdekt dat meneer een verhouding had met de Franse gouvernante en ze kon onmogelijk langer met hem onder één dak leven, zo had ze verklaard.’

Ik koop het, ga naar huis en herlees het. Dezelfde verbijstering, vervoering en verwarring als twintig jaar geleden. Ik weet het zeker: dit is het beste boek van 1877, 1997 en 2017.

Charlotte Mutsaers over Ernst-Jan Pfauth: Dankboek

Een boek waarin de geest van het afgelopen jaar de hoofdrol speelt, oef. Er zit een radar in mijn kop die tijdgeesten bij voorkeur omzeilt. Maar gelukkig kwam Dankboek op mijn pad, een boek dat uitstekend bij 2017 aansluit. Dat doet het weliswaar door tegen de tijdgeest aan te trappen, maar juist dat beklijft. Dankboek werd geschreven door Ernst-Jan Pfauth. Nou ja ‘geschreven’, van de 247 pagina’s zijn er 188 blanco. De rest moet de lezer zelf maar invullen. Een interactief boek dus. Maar lach niet te snel. Als uitgever van De Correspondent, schrijver en ook nog eens hardcore millennial schreef Pfauth ettelijke interessante stukken over zelfhulpboeken. Tot zijn teleurstelling werd hij daar echter niet gelukkiger van. No wonder. Al die adviezen hoe je het gezondst kunt eten, hoe je jezelf het snelst van rotzooi kunt bevrijden, hoe je het best met gelieven kunt omgaan, en hoe je bij dit alles ook nog een goed humeur en een mooi strak lijf behoudt, ze leiden alleen maar naar de volgende burn-out. Zo is het idee bij hem ontstaan om het focus eens te richten op dankbaarheid. Dat is dan ook waartoe hij de lezer inviteert: elke dag in dit Dankboek noteren wat tot dankbaarheid noodt. Dat is meer dan men denkt en verwarmt het hart. Bedankt voor dit Dankboek, Ernst-Jan, en een fijn Nieuwjaar!

Jamal Ouariachi over Anthony Burgess: Machten der duisternis

Druk met een nieuw romanproject heb ik het afgelopen jaar, ondanks mezelf, vooral non-fictie gelezen: research! Soms wordt dat allemaal zo technisch, worden boeken zozeer verplichte kost, dat het nodig is jezelf eraan te herinneren waar het ook alweer allemaal om ging, waarom lezen zo’n hartslagverhogend avontuur kan zijn, waarom een leven gewijd aan de romankunst een welbesteed leven is.

Gelukkig stuitte ik op Earthly Powers van Anthony Burgess, al in 1980 verschenen, maar nu pas vertaald als Machten der duisternis. Ruim een kwarteeuw oud – nog geen minuut verouderd. Het is het relaas van de Brits-Franse schrijver Kenneth Toomey, die overal verketterd en verjaagd wordt vanwege zijn homoseksuele geaardheid, maar die niettemin in pauselijke kringen verzeild raakt. Zijn omzwervingen leiden de lezer langs acht decennia van de 20ste eeuw, langs twee wereldoorlogen en vier continenten, en langs een bonte cast van personages.

Machten der duisternis gaat over het afwerpen van het geloof, van koloniale overheersing, van vooroordelen: maar desondanks lijkt de mens zich zijn onderdrukking niet zomaar te laten ontnemen. Dit tegenstrijdige gegeven wordt door Burgess opgediend in 750 pagina’s duizelingwekkend en hilarisch proza. Hier tref je geen modieus kale zinnetjes aan, geen pagina’s vol witregels, geen minimalisme uit onmacht. Machten der duisternis is een gulle roman en Burgess een schrijver die de lezer waar voor zijn geld geeft. Dit is literatuur zoals literatuur bedoeld is.

Gustaaf Peek over Anton Stolwijk: Atjeh

2017 was weer het jaar van De Ander. Of preciezer, van de vijandigheid jegens De Ander. Dit standpunt heeft de verkiezingen bepaald, een Amerikaans presidentschap vormgegeven, ons Charlottesville en Dokkum gebracht, en een politicus van het jaar opgeleverd. Hoewel uit een recent SCP-rapport blijkt dat het beschikbaar inkomen tussen 1997 en 2016 vrijwel niet is gestegen, wist De Ander zich dit jaar toch immer in het middelpunt van de aandacht, omdat diens indringende aanwezigheid of naderende invasie onze cultuur telkens dreigde te verstoren of te verwateren of te vernietigen.

Atjeh van Anton Stolwijk, met als ondertitel ‘Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse geschiedenis’, gaat over een invasie en een vernietiging van mensenlevens en cultuur, over een Ander die als een Bijbelse plaag over een vreemd land trekt. Die Ander in deze geschiedenis zijn wij, maar toch ook weer niet. Stolwijks boek is deels reportage, deels historische verhandeling. Boeiend beschrijft hij het huidige Atjeh, de onttakeling en het defaitisme, zijn eigen verbazing en vervreemding, kundig en ferm noteert hij wandaden begaan onder Nederlandse vlag. Zomaar een boekhoudkundig citaat: 168 mannen, 130 vrouwen en kinderen. 149 mannen, 15 vrouwen en kinderen. 99 mannen, 41 vrouwen en kinderen. 180 mannen, 95 vrouwen en kinderen.

In 2018 zullen wij opnieuw niet De Ander zijn, iemand moet vijand en daardoor slachtoffer blijven, ook al heeft Stolwijk op indrukwekkende wijze deze 19de-eeuwse ‘pacificatie’ vastgelegd, deze erfzonde.

P.F. Thomése over László Krasznahorkai: De melancholie van het verzet

Het meest memorabele boek dat ik dit jaar las, had ik graag zelf geschreven. Alleen de titel al: De melancholie van het verzet. Bij zo’n titel is het haast zonde om het boek ook nog eens helemaal te gaan lezen, zoals het zonde is om bepaalde prachtig opgemaakte gerechten aan te snijden. Dat lijkt de roman zelf ook te vinden. Met ellenlange zinnen stribbelt hij zo lang mogelijk tegen. Zoals de auteur zich ook met zijn naam aan leesbaarheid probeert te onttrekken: Krasznahorkai, László.

Gaandeweg raakte ik echter verslingerd aan die slingerende zinnen, die me mitsend en marend en niettegenstaande hun eigen voorbehouden steeds dieper meetrokken naar een parabelachtig dorpje in het achterland, waar de orde der dingen ver te zoeken is. Het begint er al mee dat de treinen niet op tijd rijden en soms zomaar ‘verdwijnen’. Niets houdt zich aan een dienstregeling, zelfs van het stelsel der planeten en de harmonie der muziektonen kun je niet meer op aan. Helemaal onoverzichtelijk wordt het als er een circus arriveert met als hoofdattractie een opgezette en voor het publiek toegankelijke walvis. Elk dorpspersonage verklaart de ontstane toestand op zijn eigen wijze, al verergeren de aangedragen ‘oplossingen’ de situatie alleen maar.

László Krasznahorkai (1954) publiceerde zijn roman over ‘de samenzwering van de details’ al in 1989, maar pas sinds hij er in 2015 de Man Booker International Prize voor kreeg, heeft vertaler Hongaars-Nederlands en bewonderaar Mari Alföldy er een uitgever voor kunnen vinden (Wereldbibliotheek).

Ted van Lieshout over Tilmann Lahme: De familie Mann

Vermoeiend boek: het is te zwaar om buiten te lezen. Ik kreeg er pijn van in nek en schouders, maar ik had het ervoor over. Gelegen op een strandbed heb ik me fijn geërgerd aan de flierefluitende kinderen van Thomas en Katia Mann, die aan de lopende band brieven schreven aan hun moeder om geld af te troggelen, en die stuurde mopperend geld terug.

Het fijne van de brieven waar Tilmann Lahme gebruik van kon maken, is dat ze niet geschreven zijn met het oog op latere publicatie, waardoor ze een kant laten zien die schrijvers meestal van zichzelf verborgen willen houden: de doordeweekse menselijke trekjes zoals klagen volgens het voor mij zo vertrouwde systeem: de een klaagt tegen de ander over de derde, de tweede klaagt tegen nummer drie over de eerste, en de derde klaagt tegen de eerste over de tweede. Maar dan erger, want de ouders Mann hadden uitgesproken voorkeuren voor enkele kinderen.

Regelmatig schoffelt Lahme de familie op ironische wijze onder, maar hij werkt tegelijkertijd een portret uit van een familie die tot het einde toe blijkt te hebben bestaan uit toegewijde intellectuelen. Als de familieleden een voor een doodgaan lijd je een beetje mee met de overblijvers, omdat je ondanks alles om ze bent gaan geven. Maar wordt 2017 erin weerspiegeld? Ik meen van wel. Er lijken steeds meer boeken op de markt te komen waarin auteurs onverbloemd afrekenen met hun familie.

Ewoud Kieft over Yuval Noah Harari: Homo Deus

2017 was het jaar waarin de enorme impact die kunstmatige intelligentie op de samenleving zal hebben, in brede kring doordrong. Ineens ging het in de dagelijkse talkshows over de verslavende werking van Facebook-algoritmen, de bubbel waarin je terechtkomt als je je nieuws van sociale media haalt, hoe onze blik op de wereld al lang en breed door algoritmen wordt bepaald. Nog veel ingrijpender: twintig tot dertig procent van het werk zal de komende decennia verdwijnen, ook dat van dokters, advocaten en managers.

2017 was het jaar dat Google haar nieuwe motto lanceerde: ‘A.I. first’. De grote investeringen dit jaar gingen naar bedrijven die machine learning aan het ontwikkelen zijn: computerprogramma’s die zichzelf blijven aanpassen en verbeteren, die zelf leren programmeren, beter dan mensen dat kunnen – de belangrijkste reden waarom het werk dat zal verdwijnen, niet zal worden vervangen.

Een van de best verkochte non-fictieboeken dit jaar gaat over al deze onderwerpen, en nog veel meer. Homo Deus, van de Israëlische historicus Yuval Harari kon je maandenlang in de toptien van de AKO’s en Bruna’s vinden, best opmerkelijk voor een boek dat zo’n genadeloos somber beeld van de toekomst schetst. Het humanisme, dat de waarde van het menselijk leven centraal stelde, zal een illusie blijken te zijn, stelt Harari botweg. De grenzen tussen organisch en machinaal bewustzijn zullen vervagen, computerprogramma’s zullen ons beter kennen dan we onszelf kennen, hoe uniek we ook menen te zijn. Zonder te vervallen in de cliché-scenario’s van robots die zich tegen hun makers keren, weet Harari te prikkelen en te verontrusten, en ook al zijn niet al zijn inzichten even overtuigend, Homo Deus schudt de lezers wakker – hopelijk nog net op tijd.

Jan van Mersbergen over Tommy Wieringa: De heilige Rita

Natuurlijk zou ik de nieuwste roman van Alex Boogers hier moeten noemen, omdat Boogers sterk schrijft en zijn woede – die er nog steeds is, getuige zijn vlammende betoog tijdens de boekpresentatie – inmiddels steeds meer omzet in krachtig proza, met een harde duidelijke vertelstem, maar tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik Onder een hemel van sproeten nog niet gelezen heb. Dat ga ik tussen Kerst en Oud en Nieuw nog doen.

De andere Nederlandse roman waar ik naar uitkeek en die mij na het lezen niet teleurstelde was De heilige Rita, de terugkeer van Tommy Wieringa naar zijn Twentse roots, na uitstapjes over een verre steppe (Dit zijn de namen) en het grootwereldlijke Caesarion, in een mooie compacte beeldende roman waarin grensproblemen en criminaliteit een rol spelen, maar steeds de persoonlijke motieven en situaties doorslaggevend zijn.

Een zin in dit boek stak er met kop en schouders bovenuit, ik wist het meteen: ‘Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, want we wonen langs een drukke weg.’

Als ik mensen deze zin voorleg – ik ken hem uit mijn hoofd – dan laat ik die voorzorgsmaatregel weg. Dat is me wel duidelijk. Het gaat om het beeld en het idee: doe maar flink wat kinderen, want we wonen langs een drukke weg. Ratio en gevoel gaan hier samen, in een schrijnende risicospreiding.

Dat is voor mij de zin van het jaar, ik zal hem nooit meer vergeten.

Maxim Februari over Roy Porter: Flesh in the Age of Reason

Zo vaak word je niet verliefd op een boek. Gecharmeerd, jawel. Geboeid, verblijd. Maar dan opeens is er tussen al die prima boeken eentje waarmee je geëxalteerd rond gaat lopen en waarover je iedereen lastigvalt. Voor mij was dat in 2017 een boek uit 2003. Geen roman, maar briljant geschreven Engelse essayistiek: Flesh in the Age of Reason van Roy Porter.

Waarom nu pas? Omdat ik een arenlezer achter de maaiers ben: ik lees altijd alles te laat. Dit jaar dacht ik kritisch na over rationaliteit en al doende belandde ik in de achttiende eeuw, de hoogtijdagen van ratio en intellect. Roy Porter schildert met veel bravoure de achttiende-eeuwse strijd tussen de geest en de belichaming ervan, tussen het verstand en het vlees waarin dat moet huizen. Een bonte stoet van grote denkers komt voorbij, zonder uitzondering behept met een falend lichaam, ziek, rottend, obees, wanhopig schrijvend en pratend om zichzelf ervan te overtuigen dat het de geest is waar alles om draait.

Vrolijk beweert Roy Porter dat in de achttiende eeuw de focus op de ratio een afleidingsmanoeuvre is, een truc om niet na te hoeven denken over de eigen lichamelijkheid. En daarmee maakt hij meteen duidelijk dat direct onder de oppervlakte van elk denken belangen huizen. Ratio en intellect zijn troeteldieren geworden waarmee de intelligentsia zich afzet tegen de kerk, met haar onsterfelijke ziel, en tegen het plebs, met zijn lichaam.

Hameren op de rede is een greep naar de macht, concludeert Porter. Een heel verhelderend boek.

Marjolijn van Heemstra over Navid Kermani: De grenzen voorbij

De grenzen voorbij van Navid Kermani was voor mij het belangrijkste boek van dit jaar. Eigenlijk is het geen boek te noemen, het is het dankwoord dat hij uitsprak bij het winnen van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel. Dertig pagina’s in een kaft maar grootser en wijzer dan menig roman. Kermani schrijft over de Syrische christenen van Mar Musa die uit liefde voor de islam aan de islamitische traditie deelnemen. Hij schrijft over een klooster waar moslims aankloppen om met christenen te zingen, te bidden en te zwijgen, over wederzijds respect dat gebaseerd is op de eeuwenoude verstrengeling van die twee monotheïstische geloven.

De islam waar hij over schrijft is de islam waar ik als godsdienstwetenschapper op afstudeerde; een mystiek, sprankelend, poëtisch geloof dat razendsnel uit de geschiedenis wordt weggepoetst. Het geestdodende wahabisme van de Saoedi’s heeft bijna al het leven uit het geloof geknepen. En ook wij in het Westen doen nu alsof er nooit een andere islam is geweest dan die van intolerante oliesjeiks.

Mar Musa was een van de laatste vitale bronnen van de liefdevolle dialoog tussen twee wereldreligies. De oorlog in Syrië en de komst van IS hebben het verwoest.

De grenzen voorbij gaat over de werkelijkheid die wij niet willen zien, over eenzijdige geschiedschrijving, over de consequenties van liefhebben en van wegkijken. Over islamitische vluchtelingen in een kerk en een pater die door moslims bevrijd wordt uit handen van IS. Het is prachtig en vreselijk droevig.

Lieke Marsman over Naomi Klein: No Is Not Enough

Waarschijnlijk heb je tijdens de kerst angstvallig politieke onderwerpen vermeden om de lieve vrede te bewaren. In plaats van met je familie in discussie te gaan heb je urenlang naar gesprekken over de trombosebenen van tante Jo geluisterd. Dat moet in 2018 anders. Want er gebeurt zoveel in de wereld, dat afkeurend het hoofd schudden en overgaan tot de orde van de dag niet langer genoeg is. We moeten in actie komen tegen groeiende ongelijkheid, klimaatverandering en tirannieke leiders en dat begint door met elkaar in gesprek te gaan. Dit is min of meer de strekking van No Is Not Enough van Naomi Klein, voor mij het boek van het jaar. Hierin zet Klein haarfijn uiteen hoe het succes van iemand als Trump het gevolg is van verschillende tendensen die de afgelopen decennia zijn ingezet: kritiekloos uitgevoerd kapitalistisch beleid, een hang naar superbrands en politici die rampen uitbuiten om zichzelf te verrijken. De groeiende onvrede die dit veroorzaakt wordt door Trump-types bovendien slim omgezet in gevoelens van verdeeldheid en xenofobie.

Wat dat betreft is het boek ook voor Nederland interessant: het laat zien hoe kapitalisme een bevolking tot consumerende individuen reduceert, die nog maar moeilijk collectief een vuist weten te maken. Gevolg: heel veel mensen hebben het idee dat ze als individu wereldproblemen moeten oplossen. Dat gaat ten koste van gezamenlijke actie.

Het boek sluit af met een lijst maatregelen die genomen moeten worden voor een betere wereld. Want wat er moet gebeuren is allang duidelijk. We moeten alleen nog afdwingen dat het gebeurt.

Tommy Wieringa over Svetlana Alexijevitsj: De oorlog heeft geen vrouwengezicht

Honderden getuigenissen verzamelde Svetlana Alexijevitsj voor haar boek over Russische vrouwen in de Tweede Wereldoorlog, uit duizenden meters band en planken vol aantekeningboeken componeerde ze De oorlog heeft geen vrouwengezicht. Een miljoen vrouwen was in die oorlog scherpschutter, bakker, tanksoldaat, verpleegster of sappeur. Hun verhaal was geen onderdeel van de Russische overwinningsmythe die na 1945 ontstond – met bovenmenselijk geduld reisde Alexijevitsj in de jaren zeventig en tachtig stad en land af om de vrouwelijke stem toe te voegen aan het verhaal van de Grote Oorlog. Hoe ze als meisjes moesten soebatten bij de rekruteringsbureaus om mee te mogen vechten. Dat ze nog groeiden in het leger, soms nog wel tien centimeter, zo klein waren ze toen de oorlog begon. Ze vochten mee in de voorste linies; sommigen kregen op slag grijs haar. Onder vijandelijk vuur sleepten ze met gewonden die tweemaal zo zwaar waren als zijzelf. Een verpleegster zei: ‘Ik heb zoveel afgezette armen en benen gezien… Ik kon niet geloven dat er ergens nog hele mannen rondliepen.’ Maar het ergste, zei een ander, het ergste was dat je vier jaar mannenonderbroeken moest dragen. Zo lelijk!

De vrouwenoorlog. Hoe een partizane haar baby verdronk omdat het huilen hun positie verraadde. Die huivering.

En toen was het voorbij en bleven ze veelal alleen, die vroegoude meisjes met hun grijze haren. Te veel levenservaring, te weinig kneedbaar voor het huwelijk.

Een boek voor iedereen met een heimelijk verlangen naar destructie en krijgsrumoer, omdat hij misschien een beetje moe is van het project vrede en het experiment democratie. Dit boek zal hen genezen.

Eva Meijer over Ali Smith: Winter

We dachten misschien dat het nooit meer zou gaan sneeuwen. Daarom waren we zo blij, begin december, als kinderen of honden. In Winter, het tweede deel uit de seizoenscyclus van Ali Smith, wordt er ook op sneeuw gewacht. Het verhaal is simpel. Art – schrijver van een natuurweblog die niet van de natuur houdt – bezoekt met kerst zijn moeder, ex-zakenvrouw met poëtische hallucinaties. Zijn vriendin wil niet mee, en kaapt bovendien zijn weblog, en Art haalt een meisje van straat om met haar te spelen. Zij haalt hem over ook zijn tante, beroepsactivist, uit te nodigen, met wie moeder al jaren niet meer spreekt. De verhalen van deze personages en de beelden die worden opgeroepen worden helder en vanzelfsprekend vervlochten, alles verwijst naar alles – Smith componeert perfect en de taal is altijd lichtvoetig. Die lichtheid is bedrieglijk: er is ook politiek verzet, een klimaat- en vluchtelingencrisis, consumptiekritiek en kerststress. En er zijn dode bloemen, die bewaard blijven. Net als het eerste deel uit de cyclus, Autumn, draagt dit boek de tijd in zich. Door het verstrijken van de tijd, alles wat vergaat en bewaard blijft (soms tegelijk) te laten zien, en door ingebed te zijn in de politieke en sociale problemen van nu. (Autumn werd de eerste grote Brexitroman genoemd.) De boeken lijken op elkaar zoals seizoenen op elkaar lijken: we zien hetzelfde maar in een ander licht. Er is weer een ondergewaardeerde vrouwelijke kunstenaar, er zijn gesprekken waarin getoverd wordt met woorden, mensen die elkaar raken, kwijtraken, soms even vinden (vaak in die gesprekken), en steeds opnieuw de kans krijgen om het beter te doen. Het komt niet goed, maar er is hoop. Wie weet gaat het toch nog sneeuwen.

Arnon Grunberg over Carl Schmitt: Het begrip politiek

Hoeveel vijanden hebben wij nodig? Hoe gaan we met hen om en zijn onze vijanden als vijand geboren?

Het humanisme ging ervan uit dat vijandschap overwonnen kon worden. Geïnspireerd door Jezus en zijn andere wang was vooruitgang strompelen richting universele broederschap. Het communisme wenste weliswaar nog de klassenvijand te verslaan, maar daarna zouden solidariteit en universele liefde heersen op aarde. Ieders behoeftes zouden zijn vervuld.

Het kapitalisme begreep dat menselijke behoeftes onvervulbaar zijn, maar de vijand is slechts een concurrent.

Vanaf 9/11 doet zich de behoefte aan vijandschap opnieuw voor. De strijd is niet meer economisch van aard, maar gaat tussen hen die menen dat een mens die alleen nog maar de dood als vijand heeft feitelijk al dood is, om Carl Schmitt te parafraseren, en hen die geloven dat min of meer beschaafde concurrentie een beter alternatief is voor onvoorwaardelijke vijandschap. Oftewel, tussen het nieuwe nationalisme, het populisme, extreemrechts, of welke etiketten ook worden geplakt op die partijen en bewegingen die de liberale orde vanaf de rechterflank van het politieke spectrum bestrijden en de zogenaamde gevestigde orde, die het taboe op vijandschap dat na 1945 in West-Europa opgang maakte wenst te behouden.

Als rechts het liberalisme gaat bestrijden ligt het fascisme dan per definitie op de loer? En indien ja, zit de liberale individualist dan zeer tegen zijn zin met een principiële vijand opgescheept?

Lees Het begrip politiek van de jurist en politicoloog Carl Schmitt – verschenen in 1932, maar in 1963 herzien en van een nieuw voorwoord voorzien, de Nederlandse vertaling verscheen in 2001 –, vooral ook als u het níet met hem eens bent.

Ellen Deckwitz over E. du Perron: Het land van herkomst

Als er één werk van toepassing is op het afgelopen jaar, dan is het wel het in 1935 verschenen Het land van herkomst van E. du Perron. In deze sleutelroman vertelt de 33-jarige Arthur Ducroo zijn levensverhaal en levert hij daarnaast commentaar op het Europa van begin jaren dertig, waarin onrust en nationalisme hoogtij vieren. Vooral die passages zijn actueler dan ooit en kunnen een steun zijn als je met de dag gedeprimeerder wordt door het populistisch geblaat om je heen. Tegen het einde van de roman steekt Ducroo een geweldig betoog af voor integriteit: ‘Na alle wroeten zie ik één wijsheid: zolang men leeft, te leven volgens de eigen aard en alsof men toch de ruimte vóór zich had… met een voldoend quantum pessimisme om ons in één minuut te verzoenen met het einde van alles wat ons leven mogelijk maakte, mogelijk in iedere betekenis. De wijsheid is oud, het besef nieuw.’ Laat je niet gek maken door al het geschreeuw, lijkt Ducroo te willen zeggen, en houd vast aan je eigen waarden. Het land van herkomst is een zoektocht naar identiteit en authenticiteit, hoe je je als individu staande kunt leren te houden in een wereld die steeds dreigender lijkt te worden voor de eenling. Als er één boek is dat ons kan klaarstomen voor 2018, is het deze roman. Lees!