Er is iets mis bij Ter Mors, maar ze weet niet wat

Jorien ter Mors zal in Pyeongchang haar olympische titel op de 1.500 meter niet verdedigen. Er is iets niet goed in haar lichaam, maar wat?

Jorien ter Mors huilt uit bij haar coach Dennis van der Gun na haar mislukte 1.500 meter. Foto Vincent Jannink/ANP

In de catacomben van Thialf zit een verslagen vrouw met slechts één olympisch ticket, maar honderd vragen. De tranen die ze liet aan de rand van het ijs zijn weggeveegd, nu is ze een hoopje apathie naast een rugzak. Jorien ter Mors zal in Pyeongchang niet het hele veld op een hoop rijden op de 1.500 meter, zoals ze dat in Sotsji deed. Ze werd kort daarvoor vijfde, uitgeput sleurde ze zichzelf over de streep. En waar het aan ligt? Ja, zeg het maar.

Bij Ter Mors speelde in haar carrière tot nu toe vaak wat. Pijn, iets wat niet lekker ging. Het stond nooit grote prestaties in de weg: twee olympische titels in Sotsji in 2014, twee wereldtitels in 2016. De stap van het shorttrack naar de langebaan leek al meteen zo natuurlijk, zo logisch. Maar deze week passen de prestaties wel bij haar gevoel: het zit ergens in haar lichaam niet 100 procent goed, zoals ze dat zelf zegt.

Mentaal zat het prima, ze had er zin in, wist dat de 1.500 háár afstand was. Vlak voor de start had ze niet gedacht zo rond te rijden. Maar na vierhonderd meter was het al op, en niet pas in de laatste vierhonderd. “Ik voelde in de eerste ronde al meteen geen power in de benen. Dan gaat er een belletje rinkelen.”

De rug

Dinsdag won Ter Mors de 1.000 meter. De tijd was niet super, ze had eigenlijk verwacht dat een Marrit Leenstra of een Ireen Wüst daar nog wel aan zou komen. Maar niemand reed echt hard, deels door de matige ijsvloer in Thialf die dag. Die dag had ze nog wel een verklaring: haar rug. De start was slecht, ze kon zeker zes tienden harder, maar de explosiviteit moet ze nog hervinden. Toen haar werd gevraagd wat er nou precies met die rug aan de hand was, dit seizoen voor het eerst echt een probleem, wilde ze geen antwoord geven. Er zat niets scheef, het was geen spierkwestie, het was “iets anders”. Maar dat ging ze niet noemen. “Dat is persoonlijk”. Het was onder controle, alleen moet ze weer hard leren (en leren durven) starten.

De 500 meter van donderdag was slecht. In topvorm hoort Ter Mors die te kunnen winnen, nu werd ze negende in een niet bijster sterk veld. Niets over de pijn nu, het kwam ook niet slecht uit; ze had de 500 in Pyeongchang waarschijnlijk toch niet gereden. Ze had eerder deze maand een plek op de 1.500 meter bij het shorttracken gekregen van Jeroen Otter, daar kon ze nu ook mooi gebruik van maken.

Vrijdagavond was het opeens niet meer de rug, maar ‘iets’. Voor de camera van de NOS had ze vlak voor ze beneden de catacomben in kwam gezegd dat er “wel meer speelt bij mij” en dat “we nu moeten uitzoeken wat er echt aan de hand is”. Beneden werd vaagheid onwetendheid en daarna radeloosheid. “Ik heb al zo vaak die vragen in mijn lichaam gehad, die ben ik wel een keer zat.” Rest één afstandsticket op de langebaan, op de 1.000 meter. “Ik kan nog gewoon olympisch kampioen worden, hè?”