De tapanuli-orang-oetan in zijn natuurlijke thuis: het Batang Toru-woud.

Foto’s Maxime Aliaga

Elke hectare telt voor nieuwe orang-oetan

Natuurbescherming

Dit jaar werd op het Indonesische eiland Sumatra een nieuwe orang-oetansoort ontdekt. Helaas wordt de nieuwe apensoort al met uitsterven bedreigd. Natuurbeschermer Gabriella Fredriksson: „Er is nog veel om voor te strijden.”

De orang-oetans in het Batang Toru-woud op Sumatra zijn nog dezelfde. Ze slapen in dezelfde bomen, eten dezelfde vruchten en slaken dezelfde kreten.

Maar voor de rest van de wereld zijn de apen gloednieuw. In oktober van dit jaar maakten biologen bekend dat deze orang-oetans van Batang Toru een unieke soort vormen. Ze verschillen in anatomie, DNA en gedrag van de Sumatraanse en Borneose orang-oetan. De nieuwe orang-oetan heet de tapanuli-orang-oetan, naar de drie districten waarin het dier voorkomt.

De vondst van een nieuwe soort is niet alleen positief nieuws. De tapanuli-orang-oetan is meteen de meest bedreigde mensaap ter wereld. Er leven er nog minder dan 800 in het wild in een gebied dat kleiner is dan de provincie Utrecht.

„Vanaf nu is elk individu belangrijk”, zegt de Nederlandse natuurbeschermer en mede-ontdekker Gabriella Fredriksson. „Het maakt niet uit hoe we voorkomen dat het bos gesloopt wordt, als we het maar doen. Elke hectare telt.”

Fredriksson (1971) werkt al in Batang Toru sinds 2005. Ze bouwde er een onderzoeksstation en bracht het bos in kaart. Ze leidt er studenten op en lobbyt bij lokale bevolking en overheid voor bescherming van het woud. Haar werkgevers zijn de NGO’s PanEco en ProNatura.

Fredriksson is een paar dagen in Nederland voor de feestdagen. We spreken elkaar in Café de Tuin in de Jordaan.

Kritisch, verbaasd, teleurgesteld

Fredriksson vertelt vol vuur over haar werk. Ze is kritisch. Teleurgesteld in de Indonesische overheid die slordig omgaat met de ongerepte natuur die nog over is. Verbaasd over westerse natuurbeschermers die Indonesië links laten liggen. En gefrustreerd door de wetenschap die meer geïnteresseerd lijkt in publiceren dan in effectieve natuurbescherming.

„Het klinkt misschien niet zo, maar ik ben ook optimistisch. Er is veel bos verdwenen, maar er staat nog een hoop. In Batang Toru hebben we in tien jaar 100.000 hectare bos beschermd gekregen.”

Natuur beschermen was aanvankelijk niet de bedoeling, vertelt Fredriksson. „Het is me overkomen. Ik deed als bioloog onderzoek naar zonberen in Kalimantan toen er in 1998 grote bosbranden uitbraken. Miljoenen hectare bos brandden af. Maar niemand deed wat. Ik heb dorpelingen ingehuurd en toen zijn we gaan blussen. Daarna ging ik met lokale overheid overleggen hoe we effectief bosbeheer konden opzetten. Hoe je brandgangen onderhoudt en patrouilles organiseert.”

De traditionele westerse manier natuurbescherming werkt niet in Indonesië, constateert Fredriksson. „Er is in Indonesië nooit breed draagvlak voor natuurbescherming gecreëerd. In het Westen kunnen we de orang-oetan een gaaf beest vinden, maar op Sumatra is het gewoon een irritante aap die doerians plundert. Dan zul je echt met andere argumenten moeten komen als je het bos wil beschermen.”

Zijn Indonesiërs dan niet trots op die bijzondere dieren?

„Stadse Indonesiërs vinden orang-oetans nog wel leuk, maar die hebben er nooit eentje in hun tuin zitten. De bevolking rond Batang Toru bestaat vooral uit Bataks, ontzettende rauwdouwers. Hun lokale grap is dat ze alles eten met vier poten, behalve tafels. Toen ik voor het eerst met een lokale bestuurder afsprak, kreeg ik te horen: ‘Als je over die apen begint, gooi ik je mijn kantoor uit’.”

Hoe kun je dan je werk doen?

„Draagvlak creëer je hier door lokale belangen te benadrukken. Als je de bergen kaal kapt, kunnen aardverschuivingen ontstaan. En het bos is ontzettend belangrijk voor hun watervoorziening. Dan snappen ze echt wel.”

Fredriksson haalt folders uit haar tas, vol kaarten en foto’s. „Voor mijn lobbywerk.” Zelf ontworpen, want er is verder niks te vinden over Batang Toru. Als het aan Fredriksson ligt, komt daar snel verandering in. Ze legt een prachtig fotoboek op tafel. „Gedrukt in Medan, duizend stuks. Dit boek moet uiteindelijk bij de president van Indonesië terechtkomen”, zegt ze. Glanzende foto’s van orchideeën, tapirs, tijgers, vogels, vissen en hagedissen. „Ik zou het graag verder verspreiden, maar ik heb weinig verstand van uitgeven.”

Je doet zelf de PR, het lobbywerk, je leidt studenten op…

„Omdat niemand anders het doet. In Oost-Kalimantan werkt bijna niemand aan natuurbescherming. In Tapanuli zit niemand. Er zijn zó weinig organisaties die hier willen werken.”

Hoe komt dat?

„Indonesië is minder aantrekkelijk voor buitenlanders. In een land als Cambodja kun je westers leven. Overdag vergaderen, ’s avonds uit eten en in het weekend naar het strand. Daar zit je dan te borrelen terwijl in het binnenland soorten uitsterven. Maar hier is echt bijna niks. Je kunt hier ook niet een jaartje aan natuurbescherming doen. Om iets te bereiken, moet je blijven. Vrienden maken. Natuurbescherming is een langdurige guerillastrijd.”

Heeft de samenwerking met wetenschappers geholpen bij het beschermen van bossen?

„Ik ben behoorlijk afgeknapt op de wetenschap. Niemand kijkt hoe we onze publicaties nuttig kunnen maken voor Indonesiërs. Artikelen worden niet vertaald, onderzoekers geven nauwelijks lezingen. Indonesiërs raken daardoor gefrustreerd en isoleren zich verder.”

Wat kunnen mensen in Nederland doen?

„We moeten de natuur nog niet opgeven. Er is nog zo veel om voor te strijden. Het is te vroeg voor een burn-out. Mensen kunnen groener leven, groener stemmen. Steun een overheid die meer geld uitgeeft aan natuur en klimaat.”

    • Lucas Brouwers