De romantiek van vuurwerk is eraf

Vuurwerkverbod

Vuurwerk wordt in Europa sinds de vijftiende eeuw afgestoken. Worden de geesten toch langzaam rijp voor een verbod nu zo veel mensen letsel oplopen?

Jongens kopen vuurwerk, december 1978. Foto ANP / Cor Mulder

Cor Zonneveld (65) verkoopt al 47 jaar knal- en siervuurwerk – vanuit zijn kapsalon. Vuurwerk levert (inmiddels) eenvijfde van zijn jaaromzet op, zegt hij lachend. Wel stellen klanten steeds vaker twee vervelende vragen: ‘Vind je het nog wel leuk Cor?’ en: ‘Het is je laatste jaartje zeker?’

Zonneveld zit in het keukentje van de kapsalon, medewerkers lopen op en neer tussen het magazijn en de winkel om klanten hun bestelde vuurwerkpakketten te geven. Zonneveld heeft nog veel plezier in de vuurwerkhandel („Ik ben een pyromaantje”), maar de discussie over vuurwerk is verhard. Klanten blijven nog niet weg, zegt hij, maar „de romantiek van vuurwerk verkopen is er wel een beetje af”.

Begin deze maand verscheen een pittig rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). De raad pleit daarin voor een verbod op knalvuurwerk

Begin deze maand verscheen een pittig rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). De raad pleit daarin voor een verbod op knalvuurwerk en vuurpijlen, omdat beide veel letsel veroorzaken. Ook korpschef van de Nationale Politie Erik Akerboom sprak zich vorig weekend bij WNL op Zondag uit voor een verbod op knalvuurwerk. En steeds meer Nederlanders zeggen nooit vuurwerk af te steken; hun aantal steeg van 64 procent in 2008 naar 69 procent in 2016, volgens een peiling van TNS NIPO in opdracht van de overheid. Uit de peiling bleek ook dat de helft van de ondervraagden „vuurwerk eenvoudigweg een (vreugdevolle) ‘traditie’ vindt”.

Vuurwerk wordt in Europa al eeuwen afgestoken. In de vijftiende tot achttiende eeuw gebeurde dat bij een huwelijk, geboorte of doop, volgens het boekje Vuurwerk door de eeuwen heen van historicus Jan Lenselink. Het vuurwerk werd geproduceerd door „vuurwerkers”, vaak apothekers.

Begin negentiende eeuw opende in Leeuwarden één van Nederlands’ eerste vuurwerkfabrieken haar deuren, schrijft Lenselink. Licht vuurwerk was het hele jaar te koop, en „een hoogtepunt was niet de oudejaarsnacht, maar de maand mei, waarin de meeste boerenbruiloften plaatsvonden”.

Na de Tweede Wereldoorlog werd vuurwerk ook algemeen gebruikt, zegt Peter Jan Margry, hoogleraar Europese etnologie aan de Universiteit van Amsterdam en werkzaam bij het Meertens Instituut. „Het is een welvaartsverschijnsel.” Al „eeuwenlang” werd er geschreeuwd en kabaal gemaakt om het nieuwe jaar in te luiden, zegt Margry: een methode om het kwaad op afstand te houden. Vuurwerk ligt in het verlengde van die traditie.

Dat vuurwerk in de jaren vijftig steeds populairder werd, komt mogelijk doordat Indiëgangers Chinees vuurwerk mee naar Nederland namen, zegt Margry. „Maar we weten het niet zeker: er is nooit bronnenonderzoek naar gedaan.”

Maxim Hartman pleit voor vuurwerk waarvan de knal alleen via een koptelefoon te horen is. Net als bij de Stille Disco zijn er dan alleen nog voordelen. Lees daarover: digitaal vuurwerk wordt het helemaal

Keihard aanpakken

Cor Zonneveld stak eind jaren vijftig voor het eerst vuurwerk af. Een gillende keukenmeid (inmiddels verboden). Die schoot de keuken in: „Heel het plastic zeil in de fik.” Tien jaar later verkochten Zonneveld en zijn vader voor het eerst vuurwerk vanuit de kapsalon. Aanvankelijk ging het er vrij amateuristisch aan toe, zegt hij. Toen de brandweer zijn vader vroeg waar hij het vuurwerk bewaarde, antwoordde die: ‘Onder het bed en in een linnenkastje’. „Dat was prima.” Tot eind jaren negentig werd in dezelfde ruimte haar geknipt en vuurwerk verkocht. „Je dacht gewoon niet na over de gevaren.”

Tot in mei 2000 in Enschede een vuurwerkopslagplaats ontplofte, 23 mensen overleden en ruim duizend gewonden vielen. De verkoopregels werden aangescherpt: een sprinklersysteem en brandbestendige opslagruimte werden verplicht.

Je dacht gewoon niet na over de gevaren

Toon Gemmink (39) is vuurwerkfanaat en heeft een onlineforum voor liefhebbers. Hij bezoekt vuurwerkshows in het buitenland. Over die show worden mooie verhalen opgehangen, zegt hij. Het Verenigd Koninkrijk en Spanje worden aangehaald als landen waar zulke shows een groot succes zijn. Hij kent die shows: prachtig, ritmisch, „heel verhalend. Maar daar geven ze zeker 4,5 ton aan uit. Soms een miljoen. Hier nog niet eens 50.000 euro”. Hij vindt dat „zwaar illegaal vuurwerk keihard aangepakt” moet worden. Maar een verbod voor consumenten? Daar is hij tegen. Wat komt er voor in de plaats?

Het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed zette in 2015 consumentenvuurwerk afsteken met Oud en Nieuw op de lijst van te behouden tradities. Vuurwerk wordt nu bekeken vanuit veiligheidsperspectief. De afsteek- en verkooptijden zijn al verkort. „Als je naar de schade kijkt is daar ook zeker iets voor te zeggen”, vindt hoogleraar Margry. Dat een traditie wordt aangepast is volgens hem normaal.

Maar wat blijft er over als de consument zelf geen vuurwerk meer mag afsteken en afhankelijk is van een vuurwerkshow? Cor Zonneveld zou het zonde vinden, niet alleen voor zijn portemonnee. Ook de „gezelligheid” en de „saamhorigheid” zijn hem veel waard. „Kus je de buren om twaalf uur nog een gelukkig nieuw jaar zonder vuurwerk”, vraagt hij zich af. Zonneveld denkt van niet: „De meeste mensen blijven dan gewoon binnen.”

Veel honden zijn bang voor vuurwerk. De baas kan een kalmeringsmiddel geven. Maar sowieso: geef de bange hond niet te veel aandacht. Lees daarover: Boem! Hond en vuurwerk: beven, janken, blaffen, pissen