Recensie

De christenen waren experts in slopen

Christenen in de Oudheid

Menig bouw- en kunstwerk uit de Oudheid is in de eerste eeuwen na Christus door christenen vernield. Veel cultuur ging verloren. Over die vernielzucht gaat een huiveringwekkend boek.

In het Akropolis Museum in Athene is een korte animatiefilm van de geschiedenis van het Parthenon te zien, gemaakt door de Griekse regisseur Costas Gavras. De ene verwoestende aanval na de andere treft de schitterende tempel: brand, iconoclasme, een Venetiaans bombardement in de zeventiende eeuw, en tenslotte Lord Elgin en zijn mannen die beelden en stukken fries verwijderen. Dat laatste vinden ze in Athene duidelijk het ergste.

Maar de eerste schok komt bij een vijfde-eeuwse scène: ‘Christenen verwijderen de naakte beelden’. Mensen staan op ladders te hakken en bam! daar stort een schitterend Athena-beeld naar beneden. Even later staat er een kruis op het gehavende front en is het binnenste van de tempel veranderd in een kerk.

De stad Athene mocht in zekere zin nog van geluk spreken dat ze de tempel zo lang ongeschonden kon behouden. Elders in het geleidelijk aan christelijk wordende Romeinse rijk of wat daarvan over was, hadden christenen al eerder tempels verwoest waar in de Oudheid iedereen over roemde, zoals het Serapeion in Alexandrië. Dit volgens tijdgenoten allermooiste gebouw ter wereld werd in 392 met de grond gelijk gemaakt door bisschop Theophilos van Alexandrië. Het was lang niet het eerste bouwwerk dat kapotgeslagen werd. Overal werden beelden vergruizeld of verminkt, de tempelstad Palmyra werd door ijverige christenen zo grondig mogelijk ontdaan van demonische heidense beelden, het beroemde Athena-beeld werd onthoofd.

In haar boek Eeuwen van verwoesting beschrijft de Britse Cambridge-historica Catherine Nixey nu eens niet de triomftocht van het christendom, maar wat er in de eerste eeuwen van onze jaartelling verwoest werd en verloren ging aan kennis, kunst en cultuur. Er vonden boekverbrandingen plaats, vaak expliciet verordonneerd, zelfs al door de als verdraagzaam bekendstaande keizer Constantijn die, anders dan zijn opvolgers, liet weten dat iedereen vrij moest zijn om zijn eigen godsdienst te belijden. Maar toch ook weer niet al te vrij: de afgodendienaren moesten wel terugkeren van hun dwalingen.

Boekverbrandingen

Menig schilderij, menige film en menig verhaal heeft ons verteld hoe moeilijk het leven was voor de eerste groepjes christenen in het Romeinse Rijk. Waren ze aanvankelijk te klein om op te vallen, onder keizer Nero begonnen de vervolgingen, die leken te door- gegaan tot eindelijk Constantijn verscheen, de eerste christelijke keizer. Dat is alleen niet waar, betoogt Nixey, lang niet als eerste trouwens: al in de zeventiende eeuw kwam men erachter dat de omvang van de vervolgingen en de aantallen slachtoffers ervan hogelijk overdreven werden voorgesteld. Het ging zeker niet om duizenden doden, hooguit om honderden, gedurende drie eeuwen.

De Romeinse bestuurders deden er veel aan om christenen met een minieme handeling te laten getuigen van hun trouw aan de keizer: een korte zin uitspreken, desnoods alleen maar even de wierook aanraken. Veel christenen zullen zo wijs geweest zijn om dat dan maar te doen, maar in de latere martelaarsgeschiedenissen wordt vooral onbuigzaamheid geroemd. Een vervolgde christen, die was bezweken onder martelingen, zou zonder verder omhaal naar de hemel gaan.

Het christendom werd door ontwikkelde inwoners van het Romeinse Rijk niet altijd met achting bekeken, en hun kritische geschriften zijn vernietigd. Wat ervan bekend is, danken we aan de christelijke bestrijders van hun kritische werken die eruit citeerden. Het bekendst is de Griek Celsus, dankzij het werk van de apologeet Origines die Contra Celsum schreef. Nixey wijst ook op Porfirius, die Adversos Christianos schreef: ‘Als Christus zegt dat hij de weg tot het heil, de liefde en de waarheid is, wat is er dan geworden van de mensen die in al die eeuwen vóór zijn komst hebben geleefd? [...] Waarom heeft hij die zich de redder van de mensen noemt, zich zoveel eeuwen aan de wereld onthouden?’ Dat is dan ook al bijna alles wat er van Porfirius te citeren valt, want zijn werk is verder van de aardbodem verdwenen.

Het waren, betoogt Nixey, niet zozeer de christenen die vervolgd werden en wier heiligdommen en beelden werden aangevallen, het was eerder andersom. Bijzonder aan die christelijke onverdraagzaamheid en agressie was dat ze niet als zodanig werden voorgesteld: het was liefde die de vervolgers dreef. Zondaars op het rechte pad brengen, met geweld waar nodig. ‘Als iemand ziet dat zijn vijand in de ban is geraakt van een gevaarlijke koorts en ijlend voort rent en zich zo in het onheil zou storten, zou hij dan niet kwaad met kwaad vergelden als hij hem zo laat rennen in plaats van hem te vangen en vast te binden?’, vraagt Augustinus.

De geschiedenis van die eerste eeuwen bestaat natuurlijk niet alleen uit geweld. Ook in het dagelijks leven en denken veranderde er veel door de nieuwe religie, de seksuele moraal bijvoorbeeld. Uit onder meer de muurschilderingen in Pompeï, de verzen van Catullus en de erotische aanwijzingen van Ovidius weten we dat de Romeinen niet bepaald preuts waren en hun goden ook niet.

De nieuwe godsdienst daarentegen stelde heel andere eisen. Seksualiteit veranderde van een vrolijke ontspanning in een plicht binnen het huwelijk met het oog op de voortplanting, het was beter er niet van te genieten. Officieel dan. Christenen gedroegen zich wel vaker minder als scherpslijpers dan de keizerlijke edicten en de woedende geschriften van vurige monniken en kerkvaders graag zouden zien. Menig stadsbestuur ging er aanvankelijk niet toe over om de oude ‘afgoderij’ met wortel en tak uit te roeien.

Maar uiteindelijk is dat toch wel gebeurd, de Romeinse en Griekse goden hebben al eeuwenlang geen aanhangers meer.

Woede

Nixey kiest in haar boek onomwonden de kant van de klassieke cultuur en kan haar woede over de christelijke vernielzucht niet altijd geheel intomen. Haar boek is meeslepend geschreven en beargumenteerd, en ze heeft zich zeer uitgebreid gedocumenteerd. Toch draaft ze wel eens wat door, waarmee ze het raadsel van de opkomst van het christelijke geloof onbegrijpelijk groot maakt. Want als er niets aantrekkelijks aan is, hoe is het dan mogelijk dat zoveel mensen zich ertoe bekeerden?

Die vraag is niet on-actueel. Nixey trekt de vergelijking met het belligerente deel van de islam alleen maar even kort in haar inleiding, maar ze schrijft ongetwijfeld niet voor niets vrij uitgebreid over de christelijke vernieling van Palmyra. Dat ze weglaat wat mensen aangetrokken zou kunnen hebben in de nieuwe godsdienst, en voornamelijk wijst op hoe onintellectueel, agressief, onhygiënisch en vreugdeloos die was, maakt dat haar boek soms wat pamflettistisch klinkt.

Maar daarvan afgezien is het een huiveringwekkende en meeslepende beschrijving van wat er allemaal verloren is gegaan aan denkkracht, schoonheid en, vooral, ruimhartigheid.

    • Marjoleine de Vos