Opinie

    • Michel Kerres

In café Kahwetna maken oude vijanden nu samen hiphop

In de Libanese stad Tripoli botsen de cynicus en de idealist frontaal op elkaar, zag Michel Kerres. Het is de idealist die de weg weet naar 2018.

Syria Street ligt midden in het Libanese Tripoli – na de groentemarkt linksaf – maar is een grensstraat. Aan de kant van de markt ligt de sunnitische wijk Bab al-Tabbaneh, waar bijna 90 procent in armoede leeft. Aan de overkant, bergopwaarts, in het iets minder arme Jabal Mohsen, wonen alawieten, een shi’itische stroming.

Als het zo uitkomt openen ze het vuur op elkaar. De jongens van Tabbaneh en de jongens van Jabal Mohsen. Dat is al decennia zo. Op de berg steunen ze de Syrische leider Bashar-al-Assad, ook een alawiet, beneden bestrijden ze hem. Tijdens de laatste uitbarsting, in 2014, vielen langs Syria Street tientallen doden. De gevels aan beide kanten van de straat zijn doorzeefd met kogels.

Het Libanese leger houdt Syria Street nu goed in de gaten, heeft de berg met betonplaten en checkpoints afgegrendeld. Je mag er door, maar langzaam en onder toeziend oog van een gewapende soldaat. Eenmaal op de berg ontdek je hoe dichtbij de vijand is: je kunt niet bij de sunnieten aan de overkant naar binnen kijken, maar het scheelt niet veel.

Beneden, tussen twee checkpoints, ligt café Kahwetna. Het is modern, licht, de koffie is uitstekend. Mohammed Serhan maakt me wegwijs in de lokale politiek. Wie woont waar en wie schoot op wie. En waarom is het nu rustig – de alawieten en sunnieten wonen immers nog steeds tegenover elkaar?

Aan de muur hangt een foto van minister Sigrid Kaag.

„Het is rustig omdat de politieke het wil”, zegt Serhan. „Het ging eigenlijk niet om geloof. Het ging over armoede en gebrek aan perspectief. Er werd geschoten omdat de jongens in de arme wijken werden betaald om elkaar onder vuur te nemen. Nu heeft de politiek klaarblijkelijk besloten dat vechten niet hoeft.”

Het is met politiek als met kernsplitsing: dual use. Je kunt met politiek een buurtoorlog aansteken, je kunt politiek ook aanwenden voor een iets betere toekomst.

Betonblokken in Syria Street in Tripoli, met op de achtergrond de wijk Jabal Mohsen. Foto Michel Kerres

Het café, nu anderhalf jaar open, is een initiatief van de Libanese ngo March en moet ontmoetingsplek zijn voor de jongens van boven en beneden. Hier maken de voormalige vijanden samen hiphopmuziek, knutselen tassen uit oud plastic en zitten naast elkaar in de Engelse les.

March geeft ook geld aan de bedrijfjes in de straat opdat de rappers ergens van kunnen leven. Wie geld verdient als pijpfitter, gooit geen granaten naar de overburen. De gammele pandjes van de bananenman, de kippenslachter en de kachelverkoper hebben daarom gloednieuwe reclameborden met identiek logo: een geabstraheerde gouden poort met ster, een verwijzing naar het begin van de vorige eeuw toen Syria Street een welvarend handelscentrum was.

Het café krijgt veel aandacht. Aan de muur hangt een foto van minister Sigrid Kaag, uit haar tijd als VN-gezant, op de site staan foto’s van de Nederlandse ambassadeur Waltmans. Nederland, VK en VS zijn partners van March. Het vredesproces in Syria Street wordt geholpen met buitenlands geld.

Zal het een duurzame vrede worden? Het vrolijke idealisme van de vrijwilligers in het café maakt onherroepelijk de cynicus wakker. Helpt het als je volwassenen samen laat fröbelen met plastic? Is de woede dan echt weggemasseerd? Wat gebeurt er als de geldstroom uit het buitenland opdroogt?

Er staat tegenover dat al twee jaar niet wordt geschoten. Wat is het alternatief? De bewoners overlaten aan hun lot? Als je niets doet, weet je bijna zeker dat het vroeg of laat weer misgaat. Als internationale bemoeienis de kans op geweld minder waarschijnlijk maakt, is dat al heel wat.

De idealisten van Syria Street hebben een duidelijke boodschap voor 2018: met isolationisme wordt het in elk geval niet beter.

Redacteur geopolitiek Michel Kerres en Oost-Europa-deskundige Hubert Smeets schrijven hier afwisselend over de kantelende wereldorde.
    • Michel Kerres