Recensie

De noeste dichter van het Vierde Rijk

Ooit kon cultureel Nederland niet om dichter en schrijver Albert Verwey heen. Hij raakte uit zicht in de schaduw van Tachtiger-collega Kloos. Nu is er een erudiete biografie van hem verschenen.

In de opmerkelijke, recente opleving van aandacht voor de literaire beweging van Tachtig was Willem Kloos vooralsnog het brandpunt. Dat een nieuwe biografie zou verschijnen over diens dichtbroeder en latere tegenstrever Albert Verwey is vanzelfsprekend, en daar is hij dan: Madelon de Keizers Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd.

Beide dichters en literatuurcritici vergeleken: Kloos (1859-1938) als een smalle, hoge toren, Verwey (1865-1937) een machtig brede rivier. Eerstgenoemde kreeg het gek genoeg voor elkaar tot op de dag van vandaag de hoogte van zijn reputatie te bewaren, terwijl hij al vanaf 1895 dankzij drank en periodieke geestesinzinkingen zijn leidende positie in letterland had verloren.

De grootheid van Verweys dichterschap is echter danig afgebrokkeld. Hedendaags Verwey-kenner Dick van Halsema: ‘Wat overblijft is een vijftigtal gedichten, dat niet groots en meeslepend is, maar zuiver, helder en persoonlijk.’ Op 2300 pagina’s Verwey-poëzie is dat een schamele oogst.

Albert Verwey groeide aanvankelijk in Kloos’ schaduw, maar zou met een niet aflatende stroom aan poëzie van 1895 tot pakweg 1940 de dichter en literatuurcriticus zijn waar heel cultureel Nederland niet omheen kon. Bij zijn overlijden in 1937 klonk niet een loftrompet, een heel koperorkest blies zijn glorie. Werklust. Familiezin. Koele distantie. Warme betrokkenheid. Nederige bescheidenheid. Aristocratie. Gastvrijheid. Teruggetrokkenheid. Vaderlandslievend, kosmopolitisch. Rondborstig, eerlijk. Compromisloos. Honnête homme. Tolk van het nationale bewustzijn, representant van ons volk.

De Idee

De Tachtigers waren ‘goden in het diepst van hun gedachten’ geweest. Ik-dichters, ik-schrijvers. Zeker na 1895 veranderde dit. De een neigde naar het mystieke, anderen naar het socialisme, Verwey kwam via ‘de Idee’ bij de ‘Gemeenschap’ terecht, waarin hij de rol van de dichter als leidinggevend beschouwde. Dat hij daarmee zelf gaandeweg als richtingaanwijzer diende, zo begrijpen we van biograaf Madelon de Keizer, daarvan was hij zich zeer bewust. Waarmee naast alle genoemde Verwey-eigenschappen (waarin humor niet vooraan lijkt te staan) ook een zekere arrogantie naar voren komt. Je zou bijna zeggen dat hij daar het recht toe had.

Verwey was na zijn redacteurschap van De Nieuwe Gids hoofd van belangrijke bladen: Tweemaandelijksch Tijdschrift, De XX-ste eeuw en De Beweging. Algemeen maandschrift voor letteren, kunst, wetenschap en staatkunde. Daarnaast bezorgde hij vele edities van historische auteurs (waaronder een imposante Vondel-editie en een complete Dante-vertaling), stelde bloemlezingen samen, en was een streng maar toegewijd mentor van tal van jonge dichters (onder anderen P.N. van Eyck, Geerten Gossaert, Jacob Israel de Haan, J.C. Bloem, Aart van der Leeuw).

En dan al die gedichten nog, plus tien delen proza, en een goed onderhouden, enorm netwerk tot over onze landsgrenzen. Madelon de Keizer telde in Verweys archief tienduizend brieven van hem zelf, en twintigduizend aan hem gerichte epistels. Verwey was inderdaad een letterkundige reus, doorgaans gezeten in zijn huis op een Noordwijks duin, waar hij vanaf 1890 woonde met wederhelft Kitty van Vloten en hun zeven kinderen.

Ondanks Verweys tegenwoordig als schamel beschouwde poëtische oogst, vanwege zijn centrale positie in de Nederlandse letteren van 1900 tot 1940, is een lijvige, nieuwe levensbeschrijving als die van Madelon de Keizer meer dan gerechtvaardigd. Deze biografe is daarbij geen literair geschiedschrijfster, maar cultuurhistorica.

Haar aandacht is maatschappelijk, rivierbreed ook, en de aanpak van Als een meeuw op de golven is verrassend. Ze werkt niet chronologisch, maar zet Verwey in afzonderlijke hoofdstukken af tegen een aantal tijdgenoten. Vriend en schilder Jan Veth, Willem Kloos, eega Kitty, collega-redacteur Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, Verwey-leerlingen P.N. Van Eyck en Maurits Uyldert, (tevens de eerste Verwey-biograaf). Gaande deze afdelingen ontstaat er een soort processie van Echternach (drie stappen vooruit, twee terug), langzaam maar zeker richting eindstreep, met groots cultureel- landschappelijk over- en inzicht onderweg.

Behoedzaam en helder formulerend beschrijft De Keizer bij voorbeeld de ingewikkelde vriendschap tussen de nogal calvinistisch ingestelde, evenwichtige Verwey en Van Deyssel, rooms van huis uit, flamboyant, en getuige zijn geschriften bij tijden zo gek als een deur. De pagina’s over de warme vriendschap met Stefan George spiegelen de eerder uiteengezette meester-leerling-liefde tussen Kloos en Verwey, een type verhouding die George met eigen dichtmeester Hugo von Hofmannsthal had onderhouden. En via het kapittel over Kitty – dochter van letterkundige en vrijdenkend spinozist Johannes van Vloten – krijgt Verweys gemeenschapsidee filosofisch reliëf. Als een meeuw op de golven is inventief, prikkelend, spannend en verbijsterend erudiet.

Fakkeldragerschap

Biografieën zijn afgezien van het onderwerp altijd óók een spiegel van het moment van hun verschijning. Fascinerend voor de tegenwoordige lezer is wat Madelon de Keizer vertelt over het internationale in Verweys opvatting van het dichterschap. De maatschappelijke verantwoordelijkheid die hij het dichterschap toeschrijft is niet nieuw. Al voor het bestaan van De Nieuwe Gids, hadden de (door Verwey levenslang verafschuwde) oude Gids-dichters en -schrijvers een nationaal fakkeldragerschap opgedragen. Men moest de minder ontwikkelde burgers voorgaan naar een zedelijk hoger plan, meende De Gids.

Verweys ‘gemeenschap’ is echter niet aan nationale grenzen gebonden. De Keizer verbindt dit aan ‘een golf van mondialisering’ die zij rond 1900 waarneemt, Verwey sluit daarbij aan. Groot is dan ook zijn schok als in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, en Nederland een klein, neutraal eilandje wordt. Schitterend hoe De Keizer laat zien hoe hem dit doet koorddansen.

In 1924 werd de niet-academicus Verwey benoemd tot hoogleraar Letterkunde in Leiden. Hij zou tot na zijn emeritaat (1935) de fakkel blijven dragen, en deed het vuur in zijn laatste ‘tijdsgedichten’ nog eens extra laaien. Zelfs Menno ter Braak – beslist geen geestverwant – kon dit ‘vent-schap’ zeer waarderen. Deze vaak zo ontstegen, soms ietwat vage dichter stond tenminste aan de goede kant: fel tegen het fascisme.

Als een meeuw op de golven is geen beschrijving van een wild en meeslepend leven. Hoeren noch snoeren zogezegd. Denk aan Verwey en je ziet hem binnen aan zijn schrijftafel noest aan het werk. Verwey ‘verzette zich tot aan zijn dood tegen exclusivisme en chauvinisme’, aldus Madelon de Keizer. Hij geloofde ‘onwankelbaar’ in een ‘Vierde Rijk’, een ideale, internationale gemeenschap. Hitlers Derde Rijk heeft ons sceptisch gemaakt over nummer vier, maar leidsman-dichter Albert Verwey als exempel in dit verband kan beslist geen kwaad. We lezen het in een werkelijk voorbeeldige biografie.

    • Atte Jongstra