Wonen in een conflictgebied: ‘Als ik ontvoerd word, heb ik pech gehad’

Werken in een conflictgebied In het West-Afrikaanse Mali wonen zo’n 75 Nederlandse ontwikkelingswerkers en ondernemers. Hoe gaan zij om met de groeiende dreiging in het land?

Nederlanders die wonen en werken in Mali. Op deze foto: Willem Snapper. In de stad Sevaré verricht hij ontwikkelingswerk. Foto Gerbert van der Aa

Op zijn mountainbike rijdt Huub Munstege (57) over een smal pad de berg af. Kinderen langs de weg roepen toubab (witte man). Net zoals ieder weekend maakt hij met een aantal Malinese vrienden een tocht rond de hoofdstad Bamako. Munstege is Nederlander, maar woont inmiddels al weer twaalf jaar in Mali. „Soms vraag ik me af of het niet te gevaarlijk wordt”, zegt hij als we een paar uur later bij hem thuis koffie drinken. „Het ontvoeringsgevaar lijkt elke week toe te nemen.”

Munstege, irrigatiespecialist bij een Duits ingenieursbureau en sinds 1992 getrouwd met een Malinese, zit op een bank op zijn veranda. „Een Nederlandse collega mag van zijn werkgever niet meer fietsen buiten de stadsgrenzen”, vertelt hij. Zelf heeft Munstege een andere maatregel genomen om de risico’s te beperken. „Elk weekend nemen we een andere route, om minder op te vallen.” Ophouden met fietsen is geen optie. „Als het echt zo gevaarlijk wordt, kan ik beter vertrekken uit Mali.”

De veiligheid in het West-Afrikaanse land Mali gaat hard achteruit. Jihadisten van Al-Qaeda en IS plegen steeds meer aanslagen, meerdere buitenlanders zijn er ontvoerd. Nederlanders vragen zich af of het nog verantwoord is er te blijven. Naast 300 Nederlandse VN-militairen verblijven er nog zo’n 75 andere landgenoten, vooral ondernemers en ontwikkelingswerkers. Westerse ambassades ontraden reizen naar bijna alle delen van het land. De hoofdstad geldt als relatief veilig, maar ook daar neemt de onrust toe. Afgelopen zomer was er nog een aanslag op een hotel, waarbij vijf doden vielen.

Links Loes Kuijpers in haar lunchcafé, rechts Dagmar Verbeek samen met haar dochter.
Foto’s Gerbert van der Aa

Ladder om te vluchten

In haar lunchcafé in Bamako bedient Loes Kuijpers (47) de espressomachine. Buiten zitten haar klanten aan tafels in de schaduw. Bijna alle gasten zijn wit. „De Nederlandse ambassade ontraadt plekken te bezoeken waar veel buitenlanders komen”, zegt Kuijpers, die het café drie jaar geleden opende. „Maar zelf komen de meeste diplomaten hier ook.” Ze lacht. „Ik maak me niet zo snel druk. En op de ambassade lijken ze die houding te delen.”

Toch heeft Kuijpers wel degelijk extra veiligheidsmaatregelen getroffen. „Ik heb een ladder klaarstaan, zodat gasten bij een aanval via het dak van de buren kunnen vluchten.” Voor de deur houden Malinese buurtgenoten de situatie in de gaten. „Er zijn een paar mannen die op straat een winkeltje hebben. Ze zitten daar bijna 24 uur per dag. Als ze iets verdachts zien, laten ze dat direct weten.”

Tot zo’n tien jaar geleden was Mali een baken van rust. Het land werd vaak geroemd als „democratisch voorbeeld” voor de rest van Afrika. Ontwikkelingswerkers kwamen hier graag, toeristen waren lyrisch over de gastvrijheid. Inmiddels is de situatie totaal omgeslagen. Overal in de Sahel, de overgangszone tussen de Sahara en de Afrikaanse savanne, winnen islamitische extremisten aan invloed. Zwakke Afrikaanse overheden slagen er niet in om ze effectief te bestrijden.

Vanuit hun schuilplaatsen in de woestijn rukken de jihadisten steeds verder op naar het zuiden. „De extremisten vielen onlangs een dorp op 35 kilometer van mijn huis binnen”, zegt Willem Snapper (71), een gepensioneerde Nederlander. In de stad Sevaré verricht hij ontwikkelingswerk. „Ze hebben de school gedwongen te sluiten.” Maar Snapper is niet van plan te vertrekken. In 2006 vestigde hij zich hier uit liefde voor Mali. „Als ik ontvoerd word, dan heb ik pech gehad. Mijn familie en vrienden heb ik ingelicht dat ze geen losgeld mogen betalen. Ik weiger om islamitisch extremisme te financieren.”

Sevaré ligt zo’n 600 kilometer ten noorden van Bamako, op de rand van de zogeheten „rode zone”, waar reizen door westerse ambassades wordt ontraden. De afgelopen jaren vluchtte Snapper meerdere malen voor oplaaiend geweld. Maar telkens keerde hij na een paar dagen weer terug. „Ik heb hier mijn leven”, zegt de geboren Amsterdammer. In Mali repareert hij onder meer computers en financiert hij waterputten. „Waar moet ik anders heen?” Terugkeren naar Nederland ziet hij niet zitten. „Daar voel ik me niet meer op mijn plaats.”

Huub Munstege en zijn Malinese fietsvrienden. Foto Gerbert van der Aa

Tijd om te vertrekken

In de hoofdstad Bamako hangt volgens sommigen een nieuwe aanslag in de lucht. De laatste aanval is alweer een half jaar geleden. Als er te lang niks gebeurt worden mensen onrustig, helemaal nu het aantal incidenten in de directe omgeving wél toeneemt. In de buurt van de stad Segou deden gewapende mannen in november een mislukte poging een Nederlander te ontvoeren. De gijzeling van twee Malinezen, ongeveer tegelijkertijd en niet ver daarvandaan, lukte wel. Desondanks vestigen zich nog steeds nieuwe Nederlanders in de hoofdstad. Met de juiste voorzorgsmaatregelen is dat volgens de ambassade dan ook verantwoord. „Essentiële reizen kunnen plaatsvinden”, heet dat in diplomatenjargon.

Dagmar Verbeek (35) heeft wel besloten dat het tijd is om te vertrekken. Samen met haar man en twee dochters woont ze in Mali, waar ze net als haar echtgenoot voor Akvo werkt – een organisatie die software bouwt voor de ontwikkelingssector. „Eigenlijk wilden we tot zeker 2019 in Mali blijven”, vertelt ze in haar woning in Bamako. „Maar het voelt niet meer goed.” De druppel was de aanslag op een hotel aan de rand van de hoofdstad, waar ze vaak ging zwemmen. „Thuis voel ik me veilig, maar als we ergens heen willen moet ik me telkens afvragen of dat verstandig is. Dat wil ik niet meer.”

Op de bank in de woonkamer aait Verbeek over het hoofd van haar oudste dochter. „Toen we naar Mali verhuisden had ik de hoop dat de situatie zou verbeteren.” De vredesmissie van de VN was net begonnen, mensen hadden vertrouwen in de toekomst. Inmiddels is dat optimisme vervaagd. De werkgever van Verbeek en haar man is voorlopig niet van plan buitenlands personeel te evacueren, maar was gelukkig wel bereid om binnen het bedrijf andere functies voor het stel te zoeken. „Het is totaal onduidelijk waar het heen gaat in Mali”, zegt ze. „Ik wil mijn kinderen niet langer blootstellen aan die dreiging.”